ECLI:NL:GHSGR:2011:BU3442

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
7 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.083.471/01
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Mink
  • Kamminga
  • Pijls-olde Scheper
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep kinderalimentatie bij onvoldoende financiële gegevens van ondernemer

In deze zaak staat de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige centraal. De vader is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking waarin hij een maandelijkse kinderalimentatie van €300 moest betalen. Hij stelde dat zijn inkomen onder het bijstandsniveau lag en dat hij geen draagkracht had vanwege een forse schuldenlast.

Het hof constateerde dat noch de vader noch de moeder voldoende bewijsstukken hadden overgelegd om de behoefte van de minderjarige of het netto gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk vast te stellen. De moeder had alleen het bedrag van €300,- als bijdrage gesteld, terwijl de vader een bedrag van €155,- als passend achtte.

Het hof stelde het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de minderjarige vast op €155 per maand. Omdat de moeder een WWB-uitkering ontvangt, kan zij niet bijdragen, waardoor de volledige last op de vader rust, voor zover zijn draagkracht dat toelaat.

De vader had onvoldoende financiële gegevens verstrekt om zijn draagkracht te onderbouwen. Ondanks negatieve inkomsten in 2009 en 2010 achtte het hof het aannemelijk dat de vader andere inkomstenbronnen had, en vond de verklaring dat hij door familie werd onderhouden niet aannemelijk. Daarom concludeerde het hof dat de vader wel degelijk in staat is om €155 per maand te betalen.

Het hof vernietigde de eerdere beschikking en stelde de kinderalimentatie vast op €155 per maand, met onmiddellijke ingang en bij vooruitbetaling te voldoen. Alle overige verzoeken in hoger beroep werden afgewezen.

Uitkomst: De kinderalimentatie wordt vastgesteld op €155 per maand wegens onvoldoende bewijs van geen draagkracht.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Sector Civiel recht
Uitspraak : 7 september 2011
Zaaknummer : 200.083.471/01
Rekestnr. rechtbank : F1 RK 10-2300
[De vader],
wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. R.A.F. Jansen te Rotterdam,
tegen
[de moeder],
wonende te [woonplaats],
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. B.C. Pfeifle te Schiedam.
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
De vader is op 8 maart 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 13 december 2010 van de rechtbank Rotterdam.
De moeder heeft op 9 mei 2011 een verweerschrift ingediend.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van de vader:
- op 8 augustus 2011 een brief van 5 augustus 2011 met bijlagen;
van de zijde van de moeder:
- op 4 augustus 2011 een brief van dezelfde datum met bijlagen.
De zaak is op 18 augustus 2011 mondeling behandeld.
Ter zitting was aanwezig:
- namens de vader zijn advocaat.
De moeder en haar advocaat zijn, zoals aangekondigd bij faxbericht van 15 augustus 2011, niet verschenen.
PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN
Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.
Bij die beschikking is tussen partijen, met elkaar gehuwd [in] 2004, de echtscheiding uitgesproken. Voorts is, voor zover in hoger beroep van belang, de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de minderjarige [naam minderjarige], geboren [in] 2005 te [geboorteplaats] (hierna: de minderjarige), met ingang van de dag dat de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, bepaald op € 300,- per maand. De bestreden beschikking is in zoverre uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.
BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. In geschil is de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding, hierna ook kinderalimentatie, ten behoeve van de minderjarige.
2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen (het hof leest: uitsluitend voor wat betreft de kinderalimentatie) en, in zoverre opnieuw beschikkende, de kinderalimentatie op nihil te bepalen, dan wel een kinderalimentatie te bepalen als het hof vermeent te behoren.
3. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.
4. De vader stelt dat de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie niet aan de wettelijke maatstaven voldoet. Hij voert daartoe aan dat de behoefte van de minderjarige door de rechtbank lager zou zijn vastgesteld indien de rechtbank over zijn financiële gegevens had kunnen beschikken. De vader stelt dat het netto gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk onder bijstandsniveau lag, zodat de behoefte van de minderjarige gelijk/lager is aan/dan € 155,- per maand. Bovendien stelt de vader dat hij, gezien zijn inkomen en maandlasten, waaronder een forse schuldenlast, geen draagkracht heeft om kinderalimentatie te voldoen.
5. Vast staat dat de rechtbank in de bestreden beschikking de behoefte van de minderjarige niet heeft vastgesteld. De rechtbank heeft de vastgestelde bijdrage gebaseerd op het door de moeder verzochte bedrag.
6. Het hof zal daarom allereerst het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de minderjarige vaststellen. Uitgangspunt voor deze kosten van de minderjarige is het netto gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk. De moeder heeft in eerste aanleg en in hoger beroep niet gesteld hoeveel het netto gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk bedroeg, noch de behoefte van de minderjarige door middel van een behoefteberekening inzichtelijk gemaakt. Zij heeft uitsluitend gesteld de vader in staat te achten een bijdrage van € 300,- per maand te voldoen. De vader heeft zijn stelling, dat het netto gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk onder het bijstandsniveau lag, evenmin met bewijsstukken gestaafd. Aangezien de moeder echter niet heeft onderbouwd dat de minderjarige behoefte heeft aan een hogere bijdrage dan het door de vader gestelde bedrag van € 155,- per maand, stelt het hof het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de minderjarige vast op € 155,- per maand.
7. Voor wat betref het aandeel van de beide ouders in deze kosten geldt dat, nu de moeder een WWB uitkering geniet, zij niet in staat bij te dragen in de kosten. Derhalve komen deze geheel voor rekening van de vader, voor zover zijn draagkracht dat toelaat. Het hof zal de draagkracht van de vader beoordelen.
8. Naar het oordeel van het hof heeft de vader onvoldoende financiële gegevens overgelegd ter adstructie van zijn stelling dat hij geen draagkracht heeft om voornoemde bijdrage te voldoen. De vader is mede-vennoot van een garagebedrijf. Uit de overgelegde jaarcijfers van 2008 tot en met 2010 blijkt dat er in 2009 en 2010 sprake is geweest van een behoorlijke winstdaling ten opzichte van 2008, zodanig dat er in 2009 sprake was van een negatief inkomen van de vader van € 8.654,- en in 2010 van € 6.864,-. De advocaat van de vader heeft, daarnaar gevraagd ter zitting van het hof, voor die winstdaling geen verklaring kunnen geven. Nu de vader niet ter terechtzitting is verschenen heeft hij evenmin een verklaring kunnen geven voor de genoemde winstdaling, terwijl de vader bovendien het hof niet duidelijk heeft kunnen maken waar hij in 2009 en 2010 van heeft geleefd. Gezien de hoogte van voormeld inkomen in 2009 en 2010 en de opgevoerde lasten houdt het hof het ervoor dat de vader in die jaren andere bronnen van inkomsten moet hebben gehad. Het hof acht de verklaring van de advocaat van de vader, dat de vader geheel 2009 en 2010 door zijn familie is onderhouden, in dat verband niet aannemelijk. Bovendien heeft de advocaat van de vader verklaard dat de voorlopige cijfers van 2011 weer een positief resultaat laten zien.
9. De conclusie is dat de vader naar het oordeel van het hof onvoldoende inzicht heeft verschaft omtrent zijn draagkracht en dat derhalve niet is komen vast te staan dat hij niet in staat is om een bijdrage van € 155,- per maand ten behoeve van de minderjarige te voldoen.
10. Het vorenstaande leidt ertoe dat het hof de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal vernietigen.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de minderjarige, met ingang van de datum dat de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, op € 155,- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, Kamminga en Pijls-olde Scheper, bijgestaan door Suderée als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 september 2011.