ECLI:NL:GHSGR:2011:BV0509
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Labohm
- Kamminga
- Van Meegen
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging ontheffing ouderlijk gezag en benoeming Jeugdzorg tot voogd over minderjarige
In deze zaak stond de ontheffing van de moeder van het ouderlijk gezag over haar minderjarige kind centraal. De moeder was in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank die haar ontheffing van het gezag en de benoeming van Jeugdzorg tot voogd bevestigde. De moeder voerde aan dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd waarom ontheffing noodzakelijk was en stelde dat het belang van de minderjarige zich tegen ontheffing verzet.
Het hof overwoog dat de minderjarige sinds 2008 uit huis geplaatst is en bij pleegouders verblijft, waarbij sprake is van een hechtingsstoornis en een lichte verstandelijke beperking. De pleegouders bieden een voorspelbare en gestructureerde omgeving die de minderjarige ten goede komt. Ondanks liefdevolle betrokkenheid is de moeder ongeschikt gebleken om haar opvoedingsplicht te vervullen, waardoor terugkeer niet haalbaar is.
Het hof stelde dat het belang van de minderjarige bij continuïteit en rust zwaarder weegt dan het belang van de moeder bij het voortzetten van het gezag. De jaarlijkse verlengingen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing veroorzaken onrust bij de minderjarige. Het hof oordeelde dat artikel 8 EVRM Pro de ontheffing niet in de weg staat, omdat het belang van het kind prevaleert.
De benoeming van Jeugdzorg tot voogd werd eveneens bekrachtigd, waarbij werd opgemerkt dat begeleide contacten tussen moeder en minderjarige weer worden opgestart. De bestreden beschikking werd aldus bekrachtigd en het hoger beroep van de moeder afgewezen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ontheffing van de moeder van het ouderlijk gezag en de benoeming van Jeugdzorg tot voogd over de minderjarige.