ECLI:NL:GHSGR:2011:BV2239

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
21 december 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
BK-10/00309
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake vaststelling inkomstenbelasting aanslag 2005 ongegrond verklaard

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting 2005, die was vastgesteld op een te ontvangen bedrag van €6.480. Na handhaving van de aanslag door de Inspecteur en een ongegrond verklaard beroep bij de rechtbank, stelde belanghebbende hoger beroep in bij het Gerechtshof.

Tijdens het hoger beroep heeft het Gerechtshof het onderzoek heropend en aanvullende vragen gesteld aan de Inspecteur, waarop belanghebbende heeft gereageerd. De mondelinge behandeling vond plaats op 30 november 2011, waarbij beide partijen aanwezig waren.

Het geschil betrof de vraag of de aanslag tot het juiste bedrag was vastgesteld. Belanghebbende stelde dat de aanslag te hoog was, maar heeft haar standpunt niet nader onderbouwd. Het Gerechtshof heeft geen aanwijzingen gevonden dat het belastbaar inkomen te hoog was vastgesteld en verklaarde het hoger beroep ongegrond.

Proceskosten werden niet toegewezen. De uitspraak bevestigt daarmee de eerdere beslissing van de rechtbank. Belanghebbende en de Inspecteur kunnen beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad binnen zes weken na verzending van deze uitspraak.

Uitkomst: Het hoger beroep van belanghebbende tegen de aanslag inkomstenbelasting 2005 wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Sector belasting
Nummer BK-10/00309
Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer d.d. 21 december 2011
in het geding tussen:
[X] te [Z], hierna: belanghebbende,
en
de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Zuidwest, hierna: de Inspecteur,
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 9 april 2010, nummer 09/3831, betreffende na te vermelden aanslag.
Aanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg
1.1. De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2005 met dagtekening
20 september 2006 een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (hierna: de aanslag) opgelegd. De aanslag is vastgesteld op een te ontvangen bedrag van € 6.480 waarin begrepen een bedrag van € 171 aan heffingsrente.
1.2. Bij brief van 6 oktober 2006, ontvangen bij de Inspecteur op 9 oktober 2006, heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de aanslag.
1.3. Bij uitspraak op bezwaar van 3 december 2007 heeft de Inspecteur de aanslag gehandhaafd.
1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Loop van het geding in hoger beroep
2.1. Belanghebbende is van de uitspraak in hoger beroep gekomen bij het Hof. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van
17 november 2010, gehouden te ’s-Gravenhage. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier een proces-verbaal opgemaakt.
2.3. Bij brieven van 29 december 2010 heeft het Gerechtshof het onderzoek heropend. Aan de Inspecteur zijn schriftelijk vragen gesteld. De Inspecteur heeft daarop geantwoord bij brief van 31 december 2010. Dit nadere stuk is doorgestuurd aan belanghebbenden. Belanghebbende heeft hierop gereageerd bij brief met bijlagen van 2 februari 2011.
2.4. De nadere mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 30 november 2011, gehouden te ’s-Gravenhage. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier een proces-verbaal opgemaakt.
Vaststaande feiten
Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde staat in hoger beroep het volgende vast:
3.1. Belanghebbende heeft aangifte gedaan voor het jaar 2005 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil. In de aangifte zijn looninkomsten van € 18.031, € 6.221 aan kosten eigen woning en een persoonsgebonden aftrek van € 11.810 in aanmerking genomen.
3.2. De voorlopige aanslag is conform de aangifte opgelegd.
3.3. In het bezwaarschrift is - voor zover hier van belang - het volgende vermeld:
“Het bedrag van de aanslag wijkt in zo’n mate van mijn berekening af, dat ik hier van een fout van de belastingdienst in mijn nadeel moet uitgaan. Ik voeg de berekeningsdocumenten dit ik met behulp van uw programma gemaakt heb, bij. Natuurlijk is voor mij duidelijk dat hier verschillen kunnen ontstaan, maar volgens mij toch niet ter hoogte van € 1.806.”
Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen
4.1. In geschil is of de aanslag tot het juiste bedrag is vastgesteld.
4.2. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de aanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld.
4.3. De Inspecteur stelt zich op het strandpunt dat de aanslag tot het juiste bedrag is vastgesteld.
Conclusies van partijen
5.1. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag.
5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
6.1. De voorlopige aanslag is opgelegd conform de ingediende aangifte.
6.2. Belanghebbende heeft niet nader gemotiveerd waarom zij van mening is dat de aanslag te hoog is vastgesteld.
6.3. Nu belanghebbende haar mening niet nader heeft onderbouwd en het Gerechtshof ook overigens niet is gebleken dat het belastbaar inkomen te hoog is vastgesteld, dient het hoger beroep ongegrond te worden verklaard. Daarbij wijst het Hof op zijn beslissing in de zaak met kenmerk BK-10/00304 en hetgeen belanghebbende als wens heeft geuit omtrent de verdeling van de aftrekposten over haar en haar echtgenoot.
Proceskosten en griffierecht
Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Beslissing
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. B. van Walderveen, Th. Groeneveld en J.J.J. Engel, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.H.R. Massmann. De beslissing is op 21 december 2011 in het openbaar uitgesproken.
aangetekend aan
partijen verzonden:
Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.
2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
- de naam en het adres van de indiener;
- de dagtekening;
- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
- de gronden van het beroep in cassatie.
Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.