ECLI:NL:GHSGR:2011:BV2802

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
13 december 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 11/857
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:16 AwbArt. 27j Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 231 GemeentewetArt. 30 Wet waardering onroerende zaken
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek wegens te late indiening in hoger beroep onroerendezaakbelasting

Verzoeker stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank over een beschikking en aanslag onroerendezaakbelasting voor het jaar 2008. Tijdens de mondelinge behandeling op 9 november 2011 werden verzoekers gemachtigde en de inspecteur gehoord. Verzoeker werd diezelfde dag geïnformeerd over het verloop van de zitting.

Op 11 november 2011 diende verzoeker een wrakingsverzoek in tegen de voorzitter en een andere raadsheer die het hoger beroep behandelden. Volgens artikel 8:16 Awb Pro moet een wrakingsverzoek worden ingediend zodra de feiten en omstandigheden die het verzoek ondersteunen bekend zijn. Verzoeker had dus op 9 november al voldoende kennis om het verzoek in te dienen.

Het hof oordeelde dat het verzoek te laat was ingediend, zonder geldige reden voor de termijnoverschrijding. Daarom werd verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn wrakingsverzoek. De beslissing werd op 13 december 2011 openbaar uitgesproken door drie raadsheren.

Uitkomst: Verzoeker is niet-ontvankelijk verklaard in zijn wrakingsverzoek wegens te late indiening.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Zaaknummer : AWB 11/857
nummer hoofdzaak : BK-10/00812
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken van 13 december 2011
op het schriftelijke verzoek van [X], domicilie kiezende te [Z], hierna: verzoeker, strekkende tot wraking, als bedoeld in artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, van mr. [raadsheer 1] en mr. [raadsheer 2] in het na te melden door verzoeker, ingestelde hoger beroep.
De procedure
1.1. Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 19 november 2010, nummer AWB 09/422, betreffende een aan hem voor het jaar 2008 gegeven beschikking als bedoeld in artikel 22 van Pro de Wet waardering onroerende zaken alsmede de daarbij opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelasting.
1.2. Op 9 november 2011 heeft ten overstaan van een meervoudige belastingkamer met als voorzitter mr. [raadsheer 1] de mondelinge behandeling van het hoger beroep plaatsgevonden bij gelegenheid waarvan de gemachtigde van verzoeker (zijn zoon) en (de vertegenwoordiger van) de heffingsambtenaar van de gemeente Dordrecht (hierna: de Inspecteur) zijn gehoord.
1.3. Bij brief van 9 november 2011, door het hof ontvangen op 14 november 2011, heeft verzoeker zich uitgelaten over hetgeen ter zitting is verhandeld en verzocht om deze brief tot de gedingstukken te rekenen. Van zijn zoon had hij vernomen hoe de zitting is verlopen.
1.4. Bij brief van 11 november 2011, door het hof ontvangen op 18 november 2011, heeft verzoeker een verzoek tot wraking van genoemde voorzitter, mr. [raadsheer 1], en mr. [raadsheer 2] gedaan.
1.5. Mr. [raadsheer 1] heeft op 23 november 2011, mede namens mr. [raadsheer 2], schriftelijk gereageerd op het verzoek tot wraking. Uit die schriftelijke reactie blijkt dat de raadsheren niet in de wraking berusten. In de reactie is te kennen gegeven dat mr. [raadsheer 2] niet bij de wrakingszitting aanwezig zal zijn.
1.6. De wrakingskamer heeft het verzoek op 5 december 2011 ter openbare zitting behandeld, alwaar verzoeker en mr. [raadsheer 1] zijn gehoord. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Beoordeling van het wrakingsverzoek
2.1. Op grond van het bepaalde in artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in samenhang met artikel 27j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, artikel 231 van Pro de Gemeentewet en artikel 30 van Pro de Wet waardering onroerende zaken kan een raadsheer die een in 1.1 bedoeld hoger beroep behandelt, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.
2.2. Het verzoek tot wraking moet volgens het bepaalde in artikel 8:16, eerste lid, Awb worden gedaan, zodra de - aan dat verzoek ten grondslag liggende - feiten en omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Uit het verzoekschrift en de ter zitting gegeven toelichting daarop blijkt dat de feiten en omstandigheden waarop verzoeker zijn wrakingsverzoek heeft gegrond, zich uitsluitend hebben voorgedaan op de zitting van 9 november 2011. Naar het hof begrijpt uit de toelichting ter terechtzitting van verzoeker heeft de gemachtigde van verzoeker, verzoeker nog dezelfde dag op de hoogte gebracht van het verloop van de zitting. De conclusie moet derhalve zijn dat de feiten en omstandigheden zijn gemachtigde ook op dat moment bekend zijn geworden. Die feiten en omstandigheden waren voor verzoeker aanleiding tot het schrijven van de hiervoor onder 1.3 genoemde brief. Hij heeft verzocht om de brief tot de gedingstukken te rekenen. Het verzoek komt neer op een verzoek tot heropening van het onderzoek, aangezien de wederpartij bij honorering van zo’n verzoek kans moet hebben op de inhoud van de brief te reageren. Eerst twee dagen later, op 11 november 2011, heeft verzoeker een verzoek tot wraking van mr. [raadsheer 1] en mr. [raadsheer 2] ingediend.
2.3. Gelet op het vorenstaande moet worden geoordeeld dat in dit geval niet is voldaan aan het vereiste dat het verzoek wordt gedaan, zodra de feiten en omstandigheden verzoeker bekend zijn geworden. Uit de brief van 9 november 2011 blijkt namelijk dat verzoeker toen reeds op de hoogte was van het verloop van de zitting en dat hij toen ook al gelegenheid had om daarop te reageren. Hij had dan ook reeds op die datum een verzoek tot wraking kunnen en moeten indienen. Van een rechtvaardiging voor de termijnoverschrijding is niet gebleken. Het verzoek is derhalve te laat ingediend.
2.4. Gelet op het vorenoverwogene is het hof van oordeel dat verzoeker niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoek tot wraking.
Beslissing
Het Gerechtshof:
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking; en
- bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan verzoeker, de Inspecteur, mr. [raadsheer 1] en mr. [raadsheer 2].
De beslissing is gegeven door mrs. U.E. Tromp, T.W.H.E. Schmitz en M.J. van de Ven in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.H.R. Massmann. De beslissing is op 13 december 2011 in het openbaar uitgesproken.