ECLI:NL:GHSGR:2011:BV3538
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- W.P.C.M. Bruinsma
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep tegen tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf
In deze zaak stond de vraag centraal of hoger beroep mogelijk is tegen een uitspraak van de politierechter die de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf gelast vanwege het niet naleven van een bijzondere voorwaarde. De raadsman van de veroordeelde stelde dat het recht op berechting in twee instanties, zoals verankerd in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, dit hoger beroep verplicht zou maken.
Het hof oordeelde dat artikel 14j, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht expliciet bepaalt dat tegen een beslissing tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf geen hoger beroep openstaat indien deze beslissing geen deel uitmaakt van een uitspraak over andere strafbare feiten. In dit geval was dat het geval, omdat de politierechter de tenuitvoerlegging had gelast vanwege het niet naleven van een bijzondere voorwaarde.
Verder stelde het hof dat noch het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, noch het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten een recht op hoger beroep geven wanneer de nationale wet dit niet toestaat. Ook was er geen sprake van een schuldigverklaring en veroordeling in de zin van genoemde verdragsartikelen, maar slechts van een last tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf. Het beroep op een uitspraak van het Human Rights Committee werd verworpen omdat die betrekking had op een andere situatie.
Het hof concludeerde dat de veroordeelde niet-ontvankelijk moest worden verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep tegen de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf.
Uitkomst: De veroordeelde is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf.