2. Het gaat in deze zaak om het volgende:
2.1 mr. [X], hierna: [X], heeft als advocaat - namens [de vennootschap] - [appellant] bijgestaan in een civiele procedure. De vordering van [appellant] strekte tot schadevergoeding en stopzetting van bepaalde riooloverstorten. De grondslag voor de vordering was dat [appellant], die een melkveebedrijf uitoefent, schade had geleden door onrechtmatige lozingen van verontreinigd water op watergangen die in directe verbinding staan met sloten waaruit drinkwater voor vee van [appellant] werd betrokken.
2.2 Na een voor [appellant] negatief tussenvonnis, heeft [appellant sub 1] bij brief van 13 oktober 2000 verzocht om geen activiteiten meer te ondernemen die declaraties tot gevolg hebben, in verband met de hoogte van het bedrag aan inmiddels betaalde declaraties.
2.3 Met een brief van 21 april 2001 heeft [X] aan [appellant sub 1] het volgende bericht:
“Zoals aangekondigd heb ik gisteren lang en intensief met [A] overleg gevoerd over de eventuele voortzetting van de zaak op onze eigen kosten. Jij hebt immers in alle duidelijkheid laten weten geen geld meer in de zaak te willen steken. (...) Om een lang verhaal kort te maken: [A], [B] ([achternaam B], toevoeging hof) en ik zijn bereid op eigen kosten en voor eigen rekening en risico de procedure voort te zetten, tegen een verdeling van de eventuele schadevergoeding in een gewonnen procedure in de verhouding van 25% voor [appellant] en 75% voor ons drieën. Eventuele achtergebleven kosten (...) zijn nog voor jou en als je akkoord gaat zijn alle toekomstige kosten inclusief het procesrisico voor ons.”
2.4 [appellant sub 1] heeft met een brief van 24 april 2001 aan mr. [X] een andere verdeling voorgesteld, te weten een verdeling van 35% voor [appellant] en 65% voor [X], [A] en [B]. Daarop heeft mr. [X] gereageerd met een brief van 25 april 2001 aan [appellant sub 1], waarin onder meer het volgende is vermeld:
“Wij hebben geen probleem met een verdeling van de eventuele opbrengst in de verhouding 35% voor [appellant] en 65% voor ons drieën.”
2.5 In een nadere brief van 3 mei 2001 heeft [X] aan [appellant sub 1] onder meer het volgende bericht:
“Op jouw vraag wie er eventueel proceskosten moet betalen als ik (of [A]) kom te overlijden kan ik je berichten dat zulks voor jou niets uit zal maken. De overeenkomst is met onze bv’s en niet met ons persoonlijk.”
2.6 In 2003 heeft [appellant], met betrokkenheid van [X], een schaderegeling getroffen ter finale kwijting van alle aanspraken wegens de overstortproblematiek. Op de derdenrekening van [de vennootschap] is op basis van deze schaderegeling een bedrag van € 175.000,- betaald. [appellant] heeft vervolgens de lopende procedure ingetrokken.
2.7 [de vennootschap] heeft onder verwijzing naar de onder 2.4 genoemde afspraak 35% van € 175.000,- (zijnde € 61.250,-) overgemaakt aan [appellant]. Het resterende bedrag (zijnde € 113.750,-) is verdeeld onder [de vennootschap], [A] en [B].