ECLI:NL:GHSGR:2012:BW1782

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
3 april 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.090.093/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 RvArt. 353 RvArt. 130 lid 3 Rv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing incidentele vordering tot betaling achterstallige huur en ontruiming wegens wijziging eis en gebrek aan betekening

Appellanten zijn in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de kantonrechter waarin zij slechts betaling van wettelijke rente over te late huurbetalingen toegewezen kregen. In een incident verzochten zij om een voorziening op grond van artikel 223 Rv Pro, gericht op betaling van achterstallige huur tot en met november 2011 en ontruiming van het gehuurde.

Het hof oordeelt dat de vordering in het incident feitelijk een wijziging en vermeerdering van de oorspronkelijke eis inhoudt, aangezien in eerste aanleg alleen huurpenningen tot februari 2011 waren gevorderd. Daarnaast is de grondslag voor ontruiming gewijzigd van ontbinding wegens wanprestatie naar opzegging van de huurovereenkomst per 1 maart 2012.

Omdat geïntimeerde in het geding niet is verschenen en de wijziging van eis niet aan hem is betekend, kan de voorziening niet worden toegewezen. Ook ontbreekt een spoedeisend belang of onderbouwing waarom de bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Appellanten worden veroordeeld in de kosten van het incident. De bodemzaak wordt verwezen naar de rol voor memorie van grieven.

Uitkomst: De incidentele vordering tot betaling van achterstallige huur en ontruiming wordt afgewezen wegens wijziging van eis zonder betekening en gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Sector Civiel recht
Zaaknummer : 200.090.093/01
Zaak-/rolnummer rechtbank : 968747 RL EXPL 10-17631
arrest in het incident ex artikel 223 Rv Pro d.d. 3 april 2012
inzake
1. [appellant sub 1] en
2. [appellant sub 2],
beiden wonende te Camps Bay (Zuid Afrika),
appellanten,
tevens eisers in het incident,
hierna te noemen: [appellanten],
advocaat: mr. H. Loonstein te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde]
wonende te 's-Gravenhage,
geïntimeerde,
tevens verweerder in het incident,
hierna te noemen: [geïntimeerde],
advocaat: geen, in hoger beroep niet verschenen.
Het geding
Bij exploot van 12 mei 2011 is [appellanten] in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank 's-Gravenhage, sector kanton, locatie 's-Gravenhage tussen partijen gewezen vonnis van 16 februari 2011. Op 5 juli 2011 is aan [geïntimeerde] verstek verleend. Bij incidentele memorie d.d. 22 november 2011 heeft Meyer een voorziening op de voet van artikel 223 Rv Pro verzocht.
Op 6 maart 2012 heeft [appellanten] de stukken overgelegd en arrest gevraagd in het incident.
Beoordeling van het incident
1. In eerste aanleg vorderde Meyer in conventie – zakelijk weergeven en na wijziging van eis – betaling van achterstallige huur, vermeerderd met de contractueel overeengekomen verzuimboete en wettelijke rente, alsmede de ontbinding van de tussen partijen bestaande huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde.
2. Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter in conventie [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente over de te laat gedane huurbetalingen over de maanden januari 2009 tot en met december 2010, alsmede in de proceskosten en heeft hij het meer of anders gevorderde afgewezen.
3. In hoger beroep vordert [appellanten] – voor zover thans van belang – vernietiging van het bestreden vonnis in conventie en opnieuw rechtdoende algehele toewijzing van zijn inleidende vorderingen.
4. Ook in het incident vordert [appellanten] de veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van achterstallige huur (maar zo begrijpt het hof gelet op de datum van de incidentele memorie: thans tot en met november 2011) en ontruiming van het gehuurde. Ter onderbouwing van zijn vordering stelt [appellanten] dat [geïntimeerde] sedert mei 2011 geen huurbetalingen meer heeft gedaan en dat [geïntimeerde] de huurovereenkomst heeft opgezegd tegen 1 maart 2012. [appellanten] heeft daarom niet alleen belang bij een ontruimingstitel per die datum, maar ook bij toewijzing van de achterstallige huur, welke inmiddels is opgelopen tot € 16.000,--, aldus nog steeds [appellanten].
5. Het hof begrijpt uit deze toelichting dat wat [appellanten] wenst in feite geen voorlopige voorziening is voor de duur van het geding, maar wijziging van zijn vordering ten gronde. Een spoedeisend belang, althans een onderbouwing waarom de beslissing in de bodemzaak niet kan worden afgewacht is door [appellanten] immers niet gegeven. Daarentegen stelt [appellanten] wel dat hij in het incident in wezen niets anders vordert dan in eerste aanleg, maar hij ziet daarbij over het hoofd dat hij in eerste aanleg slechts betaling van de achterstallige huurpenningen heeft gevorderd en dat de huurpenningen vanaf maart 2011 toen nog niet opeisbaar en dus evenmin achterstallig waren. Indien hij thans ook betaling vordert van huurpenningen die zien op een latere periode is sprake van een eisvermeerdering. Voorts lijkt sprake te zijn van een andere grondslag voor de gevorderde ontruiming: in eerste aanleg was deze gebaseerd op ontbinding wegens wanprestatie, in het incident kennelijk op opzegging van de huurovereenkomst door [geïntimeerde] per 1 maart 2012. In zoverre is dus sprake van een wijziging van grondslag. Een verandering of vermeerdering van eis dient, nu [geïntimeerde] in het geding niet is verschenen, aan hem te worden betekend (artikel 353 jo Pro. 130, lid 3 Rv). Gesteld noch gebleken is dat dit is gebeurd.
6. De slotsom is dat de gevorderde voorziening niet kan worden toegewezen. [appellanten] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het incident.
Beslissing
Het hof:
in het incident
- wijst de vordering van [appellanten] af;
- veroordeelt [appellanten] in de kosten van het incident, aan de zijde van [appellanten] tot op heden begroot op nihil;
in de bodemzaak
- verwijst de zaak naar de rol van 15 mei 2012 voor memorie van grieven
Dit arrest is gewezen door mrs. H.J.H van Meegen, M.J. van der Ven en A.E.A.M. van Waesberghe en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 april 2012 in aanwezigheid van de griffier.