ECLI:NL:GHSGR:2012:BW8529
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Mink
- Labohm
- Ydema
- Rechtspraak.nl
Vader kan geen aanspraak maken op rente van minderjarige onder bewind gestelde rekening
In deze civiele zaak stond centraal of de vader, die het ouderlijk gezag over zijn minderjarige kind uitoefent, aanspraak kan maken op de rente die de minderjarige ontvangt op een rekening met een BEM-clausule. De moeder van de minderjarige was overleden en had in haar testament bepaald dat het vermogen van de minderjarige onder bewind stond tot de leeftijd van 22 jaar, waarbij de bewindvoerder de bevoegdheid had om te bepalen in welke mate inkomsten uit het vermogen aan de minderjarige ter beschikking worden gesteld.
De vader voerde aan dat hij op grond van het ouderlijk vruchtgenot recht had op de rente, maar de bewindvoerder stelde dat de rente nog niet opeisbaar was en dat de vader geen aanspraak kon maken zolang de rente onder bewind stond. Het hof oordeelde dat de moeder in haar testament het ouderlijk vruchtgenot niet had uitgesloten, maar dat de rente als burgerlijke vrucht pas een zelfstandig recht wordt bij opeisbaarheid, welke door de bewindvoerder was vastgesteld bij het bereiken van meerderjarigheid.
Het hof bevestigde dat de vader het vruchtgenot heeft over het vermogen, maar dat hij geen aanspraak kan maken op de rente zolang deze niet opeisbaar is. De bestreden beschikking van de kantonrechter werd bekrachtigd en de kosten werden gecompenseerd. De vader werd niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om vrij beschikking over de rente te verkrijgen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking dat de vader geen aanspraak heeft op de rente van de BEM-rekening zolang de minderjarige niet meerderjarig is.