ECLI:NL:GHSGR:2012:BX0707

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
16 mei 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.102.651-01
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Fockema Andreae-Hartsuiker
  • Van den Wildenberg
  • De Haan-Boerdijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:262 lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping hoger beroep tegen machtiging uithuisplaatsing minderjarige wegens vervallen belang

De moeder kwam in hoger beroep tegen een beschikking van de kinderrechter die een machtiging tot uithuisplaatsing van haar minderjarige kind verleende. De minderjarige was onder toezicht gesteld en geplaatst in een AWBZ-instelling.

De raad voor de kinderbescherming stelde dat de machtiging niet ten uitvoer was gelegd omdat de moeder niet meewerkte aan de aanmelding bij een behandelinstelling. Hierdoor was de machtiging volgens artikel 1:262 lid 3 BW Pro vervallen na drie maanden niet-uitvoering.

Tijdens de zitting verscheen niemand, en het hof concludeerde dat de moeder geen belang meer had bij haar beroep. Daarom werd het beroep verworpen zonder inhoudelijke beoordeling van de rechtmatigheid van de machtiging.

De uitspraak bevestigt dat een machtiging tot uithuisplaatsing vervalt als deze niet binnen drie maanden wordt uitgevoerd en dat het ontbreken van belang tot niet-ontvankelijkheid kan leiden.

Uitkomst: Het hof verwerpt het hoger beroep omdat de machtiging tot uithuisplaatsing is vervallen en de moeder geen belang meer heeft.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Sector civiel recht
Uitspraak : 16 mei 2012
Zaaknummer : 200.102.651/01
Rekestnr. rechtbank : JE RK 11-3515
[appellante],
wonende te [woonplaats],
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. N. Schuerman te Rotterdam,
tegen
de raad voor de kinderbescherming,
regio Rotterdam-Rijnmond,
locatie Rotterdam,
hierna te noemen: de raad.
Als belanghebbende zijn aangemerkt:
1. [de vader],
wonende op een geheim adres,
hierna te noemen: de vader,
2. de Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam,
gevestigd te Rotterdam,
kantoorhoudende te Rotterdam,
hierna te noemen: Jeugdzorg.
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
De moeder is op 23 februari 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 10 januari 2012 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam.
De raad heeft op 4 april 2012 een verweerschrift ingediend.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van de moeder:
- op 5 april 2012 een brief van 4 april 2012 met bijlage;
van de zijde van Jeugdzorg:
- op 4 april 2012 een brief van 3 april 2012.
Ter zitting van 18 april 2012 is niemand verschenen.
De hierna te noemen minderjarige heeft geen gebruik gemaakt van de door het hof geboden gelegenheid om mondeling of schriftelijk zijn mening kenbaar te maken.
HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN
Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.
Bij die beschikking is, voor zover in hoger beroep van belang, uitvoerbaar bij voorraad, de minderjarige [de minderjarige], geboren [in 1999] te [geboorteplaats], hierna te noemen: de minderjarige, onder toezicht gesteld voor de duur van één jaar met benoeming van Jeugdzorg tot stichting in de zin van de Wet op de jeugdzorg en is met ingang van 10 januari 2012 een machtiging verleend tot plaatsing van de minderjarige in een AWBZ-instelling tot 10 juli 2012.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.
BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. In geschil is de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige.
2. De moeder verzoekt bij beschikking, voor zover de wet zulks toelaat uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking ten aanzien van de verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige te vernietigen en, in zoverre opnieuw beschikkende, het verzoek van de raad strekkende tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige af te wijzen.
3. De raad bestrijdt het beroep en verzoekt het ingestelde appel niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het ingestelde appel af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
4. Uit het verweerschrift van de raad blijkt dat Jeugdzorg de minderjarige op 8 december 2011 heeft aangemeld voor behandeling en observatie bij Yulius. Eind januari 2012 heeft Yulius de aanmelding van de minderjarige geannuleerd omdat de moeder, ondanks herhaaldelijk verzoek daartoe, de aanmeldformulieren niet aan Yulius heeft geretourneerd. Gelet daarop is Jeugdzorg niet overgegaan tot tenuitvoerlegging van de bij de bestreden beschikking verleende machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige. Inmiddels is de machtiging van rechtswege vervallen omdat deze gedurende een periode van drie maanden niet ten uitvoer is gelegd (artikel 1:262 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek). De raad stelt zich primair op het standpunt dat de moeder wegens gebrek aan belang niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar hoger beroep.
5. Bij de uitroeping van de zaak is gebleken dat er niemand is verschenen, terwijl alle belanghebbenden behoorlijk zijn opgeroepen. Het hof leidt daaruit af dat de moeder kennelijk het standpunt van de raad deelt dat zij vanwege het vervallen van de machtiging geen belang meer heeft bij haar hoger beroep tegen de bestreden beschikking. Nu ook overigens geen belang is gesteld dat zou moeten leiden tot een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep, komt het hof niet toe aan een beoordeling van de vraag of de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige al dan niet terecht is verleend. Dit betekent dat het beroep zal worden verworpen
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Fockema Andreae-Hartsuiker, Van den Wildenberg en De Haan-Boerdijk, bijgestaan door mr. Van de Fliert-Verburg als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 mei 2012.