ECLI:NL:GHSGR:2012:BX2759

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
2 mei 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.074.390-01
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M. Kamminga
  • A. van Nievelt
  • J. van Wijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Omgangsregeling en de belangen van de minderjarige

In deze zaak, behandeld door het Gerechtshof 's-Gravenhage op 2 mei 2012, staat de omgangsregeling tussen een vader en zijn minderjarige dochter centraal. De vader, aangeduid als de man, heeft in hoger beroep verzocht om een omgangsregeling met zijn dochter, die niet op de hoogte is van zijn identiteit als biologische vader. De moeder, aangeduid als de moeder, heeft zich verzet tegen deze regeling, gesteund door een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming. Dit rapport, dat op 29 november 2011 is opgesteld, wijst op contra-indicaties voor omgang, zowel aan de zijde van de man als de moeder. De Raad concludeert dat de man, ondanks positieve veranderingen in zijn leven, niet in staat is om een veilige omgeving te bieden voor de minderjarige. De man heeft eerder agressieproblemen gehad en heeft zijn agressieregulatietraining voortijdig beëindigd. Bovendien is er een incident geweest waarbij geweld is gebruikt door de man. De moeder kan de minderjarige niet adequaat ondersteunen in een omgangsregeling, wat de situatie verder compliceert.

Het hof heeft de zaak eerder behandeld en de Raad verzocht om een aanvullend onderzoek naar de omgangsmogelijkheden. Na beoordeling van het raadsrapport en de argumenten van beide partijen, concludeert het hof dat het verzoek van de man om een omgangsregeling af te wijzen is. De belangen van de minderjarige wegen zwaarder, gezien haar jonge leeftijd en de huidige omstandigheden. Het hof roept beide ouders op om aan zichzelf te werken en hulp te zoeken, zodat de gronden voor het afwijzen van de omgangsregeling mogelijk weggenomen kunnen worden. De beslissing van het hof is dat het verzoek van de man tot het vaststellen van een omgangsregeling wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Sector Civiel recht
Uitspraak : 2 mei 2012
Zaaknummer : 200.074.390/01
Rekestnummer rechtbank : FA RK 08-7030
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. M. Schmit te Gorinchem,
tegen
[verweerster],
wonende te [woonplaats],
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat voorheen mr. H.J. Naber te Dordrecht, thans mr. E.J.M. Habets te Schiedam.
Als belanghebbende is aangemerkt:
[naam juridische vader],
wonende te [woonplaats]
hierna te noemen: de juridische vader.
VERDER PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
Het hof verwijst voor het verloop van het geding naar zijn tussenbeschikking van 23 maart 2011, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Bij die beschikking is de bestreden beschikking, waarbij de man het recht op omgang met de minderjarige is ontzegd, vernietigd voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en is, opnieuw beschikkende, de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) verzocht om een onderzoek in te stellen zoals in rechtsoverweging 11 van de beschikking is overwogen en daaromtrent rapport en advies uit te brengen. Iedere verdere beslissing is aangehouden.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van de raad:
- op 30 november 2011 een brief van 29 november 2011 met als bijlage het raadsrapport van 29 november 2011;
van de zijde van de man:
- op 28 december 2011 een brief van diezelfde datum;
van de zijde van de moeder:
- op 28 december 2011 een brief van diezelfde datum.
VERDERE BEOORDELING
1. In geschil is thans nog het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling tussen hem en de minderjarige.
2. Het hof heeft de raad in zijn tussenbeschikking verzocht onderzoek te verrichten naar en advies te geven over de mogelijkheden van een vorm van contact tussen de man en de minderjarige en of een omgangsregeling, en zo ja: in welke vorm, tussen de man en de minderjarige mogelijk is.
3. De raad concludeert op basis van het onderzoek dat een omgangsregeling met de vader op dit moment niet in het belang is van de minderjarige.
4. De moeder onderschrijft de conclusie van de raad.
5. De man kan zich niet verenigen met de conclusie van de raad. Hij stelt grote vraagtekens bij de zorgvuldigheid van het door de raad verrichte onderzoek. Het onderzoek heeft lang geduurd en er is maar twee keer gesproken met de man, in totaal één uur. Verder kan de man bepaalde conclusies van de raad niet rijmen met het feit dat het in het belang van kinderen is om zowel contact met de vader als met de moeder te onderhouden. De man verlangt niet dat bepaalde dingen geforceerd worden. Hij realiseert zich dat hij bij het opstarten van een omgangsregeling geduld zal moeten hebben, maar stelt dat als geen omgang zou plaatsvinden, er geen recht wordt gedaan aan het belang van de minderjarige. Voorts betoogt de man dat hij er momenteel alles aan doet om zijn leven op de rails te houden. Van alcohol- en drugsmisbruik is geen sprake meer. Verder betwist hij fysiek geweld gebruikt te hebben tegen de juridische vader en verzoekt hij het hof de zaak enige tijd aan te houden zodat alle betrokkenen stappen kunnen ondernemen om te doen wat van hen door de raad wordt verwacht.
6. Het hof acht zich voldoende voorgelicht om een beslissing te nemen over de omgang tussen de vader en de minderjarige.
7. Het hof overweegt als volgt.
Uit het raadsonderzoek van 29 november 2011 komt naar voren dat er ten aanzien van omgang tussen de minderjarige en de man, bij de minderjarige sprake is van contra-indicaties. De minderjarige is er niet van op de hoogte wie haar biologische vader is. Om dit via een omgangsregeling te forceren is slecht voor de ontwikkeling van de minderjarige. Doordat de moeder zich laat leiden door de angst die zij heeft voor de man, kan zij op dit moment de minderjarige onvoldoende ondersteunen bij een eventuele omgangsregeling.
Voorts is volgens de raad gebleken dat er ook aan de zijde van de man sprake is van contra-indicaties. De man zou zijn leven positief hebben gewijzigd doordat hij zijn agressie heeft leren beheersen en hij geen alcohol en drugs meer zou gebruiken, echter vast staat dat de man uit eigen beweging is gestopt met de agressieregulatietraining bij het DOK, kort na de zitting van dit hof van 23 maart 2011. Verder is gebleken dat er een confrontatie is geweest tussen de man en de juridische vader en zijn collega, waarbij geweld zou zijn gebruikt door de man. Tevens is volgens de raad niet aangetoond door de man dat hij na september 2010 geen alcohol en/of drugs meer heeft gebruikt. Daarnaast heeft de man tijdens de gesprekken bij de raad geen tot weinig inzicht getoond in hetgeen bij hem moet veranderen en ziet hij volgens de raad niet in wat omgang met hem voor de minderjarige kan betekenen. De raad acht de man niet in staat te zorgen voor veiligheid in het kader van omgang.
8. Gelet op de inhoud van het raadsrapport, met name gelet op het feit dat de man uit eigen beweging is gestopt met de agressieregulatietraining bij het DOK, dat er een confrontatie is geweest tussen de man en de juridische vader en zijn collega, waarbij geweld zou zijn gebruikt door de man, en niet is aangetoond door de man dat hij na september 2010 geen alcohol en/of drugs meer heeft gebruikt, alsmede gezien de jonge leeftijd van de minderjarige, de contra-indicaties aan haar zijde en het feit dat de moeder een eventuele omgangsregeling niet zal kunnen ondersteunen, acht het hof het vaststellen van een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige op dit moment in strijd met de zwaarwegende belangen van de minderjarige. Het hof zal dan ook het verzoek van de man om een omgangsregeling met de minderjarige vast te stellen, afwijzen. Hetgeen de man in zijn reactie op het raadsrapport heeft gesteld, kan niet leiden tot een andersluidend oordeel.
9. Onverminderd het vorenstaande, geeft het hof zowel de moeder als de man dringend in overweging om – in het belang van de minderjarige – aan zichzelf te werken en/of voor zichzelf hulp te zoeken zoals ook door de raad is overwogen in het rapport. Immers, het is de taak van beide ouders om, waar mogelijk, de gronden voor het afwijzen van een omgangsregeling weg te nemen.
10. Mitsdien wordt als volgt beslist.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
wijst het inleidende verzoek van de man tot het vaststel¬len van een omgangsregeling af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Kamminga, van Nievelt en van Wijk, bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 mei 2012.