ECLI:NL:GHSGR:2012:BX7243
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vonnis inzake betaling BTW over verbouwingswerkzaamheden en executoriale beslagen
In deze civiele procedure staat de uitleg van het vonnis van 16 december 1998 centraal, waarin appellant werd veroordeeld tot betaling van een bedrag exclusief BTW aan de vennootschap onder firma (vof). De vof vorderde later ook betaling van de BTW over dat bedrag, wat appellant betwistte en betaling weigerde. Vervolgens werden executoriale derdenbeslagen gelegd op de pensioenuitkering van appellant.
De rechtbank oordeelde dat het vonnis van 16 december 1998 mede ziet op de betaling van BTW en wees de vorderingen van appellant tot terugbetaling van het bedrag en vergoeding van buitengerechtelijke kosten af. Appellant stelde onder meer dat het vonnis geen titel bood voor inning van BTW en dat de beslagen onrechtmatig waren gelegd, maar het hof verwierp deze grieven.
Het hof overwoog dat het dictum van het vonnis moet worden uitgelegd in samenhang met de overwegingen en dat het vonnis van 12 april 2000, waarin de rechtbank bevestigde dat BTW verschuldigd was, niet genegeerd kan worden. Hoewel in kort geding een andere uitleg werd gegeven, is de rechtbank in deze bodemprocedure niet daaraan gebonden. Het hof concludeerde dat appellant gehouden is tot betaling van de BTW met rente en dat er geen sprake is van onverschuldigde betaling of schade door de beslagen, zodat het bestreden vonnis wordt bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat appellant gehouden is BTW te betalen en wijst zijn vorderingen af.