ECLI:NL:GHSGR:2012:BY2204
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep kort geding
- van Leuven
- Van den Wildenberg
- Mink
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid en spoedeisend belang bij geschil over verblijf en zorgregeling minderjarige kinderen in Nederland en Spanje
In deze zaak vordert de man nakoming van een vaststellingsovereenkomst betreffende de zorgregeling van hun minderjarige kinderen, die momenteel in Spanje verblijven. De vrouw betwist de bevoegdheid van de Nederlandse rechter en stelt dat het verblijf in Spanje rechtmatig is op grond van een eerdere uitspraak van het hof.
Het geschil draait om de vraag of de kinderen ongeoorloofd naar Spanje zijn overgebracht en of de Nederlandse rechter bevoegd is om de vorderingen van de man te behandelen. Het hof overweegt dat de vraag naar de rechtmatigheid van het verblijf in Spanje valt onder het Haagse Kinderontvoeringsverdrag (HKOV) en dat de Spaanse rechter hierover moet oordelen.
Het hof stelt dat de Nederlandse rechter slechts bevoegd is bij spoedeisend belang, hetgeen hier ontbreekt omdat onduidelijk is of de kinderen op korte termijn naar Nederland terugkeren. De vorderingen van de man betreffen materieel ouderlijke verantwoordelijkheid en vallen onder de verordening Brussel II bis, waardoor de rechter van de lidstaat van de gewone verblijfplaats van het kind bevoegd is.
Het hof bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter en wijst de vorderingen van de man af, waarbij partijen ieder hun eigen kosten dragen.
Uitkomst: Het hof verklaart de Nederlandse rechter onbevoegd en wijst de vorderingen van de man af.