ECLI:NL:GHSGR:2012:BY2340

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
16 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.108.595
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Rechters
  • Labohm
  • van Dijk
  • Stollenwerck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 351 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot schorsing tenuitvoerlegging vonnis in familierechtelijke zaak

De man is in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de voorzieningenrechter waarin afspraken over de verkoop van een woning zijn vastgelegd. Hij verzocht incidenteel om schorsing van de tenuitvoerlegging van dit uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis.

Het hof overweegt dat een partij die een dergelijk vonnis heeft verkregen in beginsel bevoegd is tot executie, ook tijdens hoger beroep. Schorsing kan slechts worden toegewezen indien sprake is van een juridische of feitelijke misslag of nieuwe feiten die daartoe aanleiding geven. De man heeft dit niet aannemelijk gemaakt.

De afspraken zijn in aanwezigheid van de voorzieningenrechter en advocaten tot stand gekomen. De man heeft onvoldoende concreet bewijs geleverd van dwaling, misleiding of bedrog. Bovendien weegt het financiële belang van de vrouw bij uitvoering van het vonnis zwaarder dan het belang van de man bij schorsing. Er is geen noodsituatie voor de man.

Het hof wijst daarom het verzoek tot schorsing af en veroordeelt de man in de proceskosten van het incident. De zaak wordt verwezen voor verdere behandeling van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging af en veroordeelt de man in de kosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Sector civiel
Zaaknummer : 200.108.595
Zaak-rolnummer Rechtbank : 417907 / KG ZA 12-427
arrest in het incident d.d. 16 oktober 2012
inzake
de man,
wonende te [A],
appellant,
advocaat: mr. M.Y.M. Renken te Leiden,
tegen
de vrouw,
wonende te [A],
geïntimeerde,
procureur: mr. M.M. van Wijk.
1. Het geding
Bij exploot van 12 juni 2012 is de man in hoger beroep gekomen van het vonnis van 25 mei 2012 van de voorzieningenrechter van de rechtbank te `s-Gravenhage.
Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de voorzieningenrechter daaromtrent in het bestreden vonnis heeft vermeld.
In het exploot van de dagvaarding heeft de man 5 grieven geformuleerd.
De man heeft een incidentele conclusie tot schorsing tenuitvoerlegging genomen.
De vrouw heeft genomen een antwoord conclusie in het incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis waarvan appel.
De partijen hebben hun procesdossier aan het hof overgelegd en aan het hof arrest gevraagd in het incident.
2. Beoordeling van het incident
Algemeen
1. Door de man wordt gevorderd, schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 25 mei 2012, kenmerk 417907 / KG ZA 12-427, een en ander ex artikel 351 Rv Pro, kosten rechtens.
Schorsing
2. Het hof stelt voorop dat een partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis heeft verkregen in beginsel bevoegd is deze te executeren, ook indien tegen dit vonnis hoger beroep is ingesteld.
3. Bij de beoordeling van de vraag of, in afwijking van voornoemd uitgangspunt, de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis dient te worden geschorst, dienen de navolgende maatstaven te worden aangelegd:
(i) de man moet belang hebben bij de door hem verlangde schorsing van de tenuitvoerlegging;
(ii) bij de in het licht van de omstandigheden van het geval te verrichten afweging van de belangen van partijen moet worden nagegaan of het belang van de man die schorsing verzoekt bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan het belang van de vrouw om de door haar verkregen veroordeling direct ten uitvoer te leggen, en
(iii) bij deze belangenafweging dient de kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel in de regel buiten beschouwing te blijven.
3. Bij de beoordeling van een verzoek tot schorsing als hier bedoeld geldt ook, dat in beginsel moet worden uitgegaan van de beslissing van de vorige rechter en de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen omtrent de tenuitvoerlegging bij voorraad. Dit kan anders zijn indien het bestreden vonnis, waarvan de man beroep heeft ingesteld, klaarblijkelijk berust op een juridische of feitelijke misslag dan wel indien na de bestreden beslissing feiten of omstandigheden zijn voorgevallen of aan het licht gekomen, die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.
4. Door de man is in zijn incidentele conclusie onder meer aangevoerd:
• dat de afspraken die op 16 april 2012 bij proces-verbaal zijn vastgelegd op onrechtmatige wijze tot stand zijn gekomen. De man heeft bij het maken van deze afspraken omtrent de feiten en omstandigheden gedwaald en de vrouw heeft zich schuldig gemaakt aan misleiding, intimidatie en bedrog.
• de man heeft er belang bij als de verkoop van de woning aan de vader van de vrouw wordt uitgesteld tot na de uitspraak van dit hof.
• de man verbeurt dwangsommen tot maximaal € 50.000,- als hij thans niet aan een verkoop en levering van de woning aan de vader van de vrouw meewerkt.
• een schorsing zal de vrouw niet benadelen.
5. Door de vrouw is onder meer gesteld:
• volgens vaste jurisprudentie dient bij de beoordeling van een eis tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde rechterlijke beslissing een afweging plaats te vinden van de belangen van ieder van partijen in het licht van de omstandigheden van het geval.
• de man heeft gesteld noch bewezen dat het te executeren vonnis berust op een juridische of feitelijke misslag dan wel dat de vrouw misbruik maakt van haar executierecht, zodat om die reden zijn eis in het incident afgewezen dient te worden.
• de vrouw heeft op basis van de op 16 april 2012 gemaakte afspraken het recht om tot executie over te gaan.
• een schorsing van de tenuitvoerlegging zal de vrouw zeer benadelen en zelfs in een noodtoestand brengen. De man is veroordeeld tot het voldoen van de helft van de hypotheekrente aan de vrouw en het voldoen van de helft van de overige zakelijke lasten. Tot op heden heeft hij echter slechts tweemaal de helft van de hypotheekrente aan de vrouw betaald.
6. Het hof overweegt als volgt. De man heeft naar het oordeel van het hof niet aangetoond dat het bestreden vonnis berust op een juridische of feitelijke misslag. De afspraken die partijen op de zitting van 16 april 2012 met elkaar hebben gemaakt, zijn tot stand gekomen ten overstaan van de voorzieningenrechter in het bijzijn van de advocaten van partijen. Voorts heeft de man geen concrete feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit blijkt dat zijn belang bij de door hem verzochte schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het bestreden vonnis groter is dan het belang van de vrouw bij handhaving van de tenuitvoerlegging. Door de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis ontstaat er voor de man geen noodsituatie. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw een zwaarwegend financieel belang dat de man de gemaakte financiële afspraken nakomt. De financiële verplichtingen met betrekking tot de onroerende zaken die partijen in mede eigendom toebehoren komen voornamelijk ten laste van de vrouw en niet de man. De incidentele vordering van de man dient derhalve te worden afgewezen.
Proceskosten
7. De man wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van het incident met betrekking tot zijn advocaatkosten. Het hof zal de advocaatkosten vaststellen op de werkelijke kosten van de advocaat.
3. Beslissing
Het hof:
wijst af de vordering van de man tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 25 mei 2012 van de voorzieningenrechter van de rechtbank `s-Gravenhage;
veroordeelt de man in de kosten van het incident aan de zijde van de vrouw tot deze uitspraak begroot op € 1.826,-;
verwijst de zaak naar de rol van 13 november 2012 voor het nemen van een memorie van antwoord.
Dit arrest is gewezen door mrs. Labohm, van Dijk en Stollenwerck en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 oktober 2012 in aanwezigheid van de griffier.