ECLI:NL:GHSGR:2012:BY4715

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
12 september 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.106.866/01
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Lückers
  • Husson
  • Kamminga
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 BWArt. 282a RvArt. 362 RvWet griffierechten burgerlijke zaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid vader in hoger beroep wegens niet tijdige betaling griffierecht

De vader is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam waarin hij werd verplicht een bijdrage te leveren in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn minderjarige kind. Het hof constateerde dat de vader het griffierecht voor het hoger beroep niet binnen de wettelijke termijn had voldaan.

De advocaat van de vader beriep zich op de hardheidsclausule omdat in eerste aanleg abusievelijk geen verweer was gevoerd, waardoor de vader geen toegang tot de rechter zou hebben gehad. Het hof oordeelde echter dat de vader wel degelijk de mogelijkheid had gehad om verweer te voeren en dat een andere rechtsgang openstaat via een verzoek tot wijziging van de beschikking bij de rechtbank.

Daarom leidt de niet-ontvankelijkheid in hoger beroep niet tot een onbillijkheid van overwegende aard. Het hof verklaarde het hoger beroep van de vader niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep van de vader niet-ontvankelijk wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Sector Civiel recht
Uitspraak : 12 september 2012
Zaaknummer : 200.106.866/01
Rekestnummer rechtbank : F2 RK 12-65
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. I. Fontijne te Vlaardingen,
tegen
[verweerster],
wonende te [woonplaats],
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. B.C. Pfeifle te Schiedam.
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
De vader is op 14 mei 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 4 april 2012 van de rechtbank Rotterdam.
Bij het hof is voorts van de zijde van de vader 4 juni 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen ingekomen.
Op 16 augustus 2012 is de ontvankelijkheid van het verzoek in hoger beroep mondeling behandeld. Ter zitting was aanwezig de advocaat van de vader.
De moeder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN
Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.
Bij die beschikking is bepaald dat de vader aan de moeder met ingang van 11 januari 2012 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats], telkens bij vooruitbetaling zal uitkeren € 250,- per maand.
DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP
1. Het hof stelt vast dat de vader het door hem verschuldigde griffierecht niet binnen de betalingstermijn van vier weken na indiening van het beroepschrift heeft betaald. Het beroepschrift is ingediend op 14 mei 2012 en derhalve had op grond van de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) het griffierecht uiterlijk 11 juni 2012 op de bankrekening van het hof dienen te zijn bijgeschreven. De betaling van het griffierecht is niet binnen de termijn ontvangen.
2. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 282a, tweede lid, jo artikel 362 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) verklaart de rechter de verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek indien het verschuldigde griffierecht niet tijdig is voldaan. De rechter kan deze bepaling op basis van artikel 282a, vierde lid Rv buiten toepassing laten, indien hij van oordeel is dat de toepassing van die bepalingen gelet op het belang van één of meer van de partijen bij toegang tot de rechter zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
3. De advocaat van de vader stelt dat zij door vakantiedrukte het griffierecht niet tijdig heeft voldaan en beroept zich op de hardheidsclausule uit artikel 282a, vierde lid, Rv. De advocaat van de vader voert daartoe aan dat zij in eerste aanleg abusievelijk het verweerschrift niet heeft ingediend, hetgeen ertoe heeft geleid dat de rechtbank de zaak op stukken heeft afgedaan. De vader heeft derhalve, zo stelt zijn advocaat, geen toegang gehad tot de rechter en geen verweer kunnen voeren. Niet-ontvankelijk verklaring van de vader zou derhalve leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
4. Het hof overweegt als volgt. De vader is in de procedure in eerste aanleg in de gelegenheid gesteld verweer te voeren, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt. Dat betekent echter niet dat hij geen toegang heeft gehad tot de rechter of geen verweer heeft kúnnen voeren. Voorts neemt het hof in aanmerking dat voor de vader - ook bij niet-ontvankelijk verklaring in onderhavige procedure - een rechtsingang openstaat. De vader kan immers indien daartoe gronden als in dat artikel bedoeld aanwezig zijn op grond van artikel 401, vierde lid, Burgerlijk Wetboek een verzoek tot wijziging van de bestreden beschikking indienen bij de rechtbank. Onder deze omstandigheden leidt niet-ontvankelijk verklaring van de vader naar het oordeel van het hof niet tot een onbillijkheid van overwegende aard.
5. Dit leidt tot de volgende beslissing.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Lückers, Husson en Kamminga, bijgestaan door Hogendoorn als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 september 2012.