ECLI:NL:GHSGR:2012:BY6948

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
28 november 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.113.487-01
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Leuven
  • Mink
  • Van Montfoort
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:261 BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging uithuisplaatsing minderjarigen wegens bereikte doelen en afwezigheid nieuwe bedreigingen

In deze zaak stond de uithuisplaatsing van drie minderjarigen centraal, die sinds 19 juni 2012 uit huis waren geplaatst op grond van een ondertoezichtstelling. De ouders, gezamenlijk gezaghebbend, voerden in hoger beroep aan dat zij wel degelijk in staat waren een veilige en stabiele thuissituatie te bieden, mede gezien de verbeterde gezondheid van de vader en de behandeling van de moeder.

Jeugdzorg stelde dat de uithuisplaatsing noodzakelijk bleef vanwege eerdere chaotische thuissituaties, persoonlijke problematiek van de ouders en onvoldoende resultaat van hulpverlening. Het hof nam de feiten uit eerste aanleg over, maar concludeerde dat de situatie inmiddels was verbeterd en dat de ouders aan de gestelde eisen voldeden of dit konden bereiken.

Het hof oordeelde dat de uithuisplaatsing niet langer noodzakelijk was, mede omdat er geen concrete nieuwe ontwikkelingsbedreigingen waren aangetoond en de minderjarigen goed functioneerden op school. Wel bleef het belang van voortzetting van psychiatrische behandeling van de moeder en het volgen van een Kopp-training voor de kinderen bestaan.

Daarom werd de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing bekort tot 30 november 2012, waarna de minderjarigen na schooltijd naar huis zouden terugkeren. De rest van de beschikking werd bekrachtigd en het hoger beroep werd voor het overige afgewezen.

Uitkomst: De duur van de machtiging tot uithuisplaatsing wordt bekort tot 30 november 2012 waarna de minderjarigen naar huis terugkeren.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Sector Civiel recht
Uitspraak : 28 november 2012
Zaaknummer : 200.113.487/01
Rekestnummer rechtbank : JE RK 12-1376
[appellant],
wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. E.G.S.N. Asselbergs te 's-Gravenhage,
tegen
de Stichting Bureau Jeugdzorg te 's-Gravenhage,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: Jeugdzorg.
Als belanghebbende is aangemerkt:
[de moeder],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: de moeder.
In verband met het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming te 's-Gravenhage,
hierna te noemen: de raad.
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
De vader is op 18 september 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 19 juni 2012 van de kinderrechter in de rechtbank ‘s-Gravenhage.
Jeugdzorg heeft op 18 oktober 2012 een verweerschrift ingediend.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van de vader:
- op 3 oktober 2012 een brief van 2 oktober 2012 met bijlagen;
- op 8 november 2012 een faxbericht van diezelfde datum met bijlage, welk bericht ook als brief is binnengekomen bij het hof op 9 november 2012.
De raad heeft bij brief van 4 november 2012 het hof laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen.
De zaak is op 14 november 2012 mondeling behandeld.
Ter zitting waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- mevrouw E. Klip (teamlid van de gezinsvoogd), de heer A. Saritas (gezinsvoogd) en de heer R. de Rijk (teamleider) namens Jeugdzorg;
- de moeder.
De advocaat van de vader heeft verklaard tevens voor de moeder op te treden.
De hierna te noemen minderjarige [kind X] is in raadkamer gehoord.
PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN
Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.
Bij die beschikking heeft de rechtbank – uitvoerbaar bij voorraad – Jeugdzorg gemachtigd de minderjarigen [X], geboren op [geboortedatum] 1999 te
geboorteplaats (hierna: [kind X]), [Y], geboren op [geboortedatum] 2001 te geboorteplaats (hierna: [Y]) en [Z], geboren op geboortedatum 2003 te geboorteplaats (hierna: [kind Z]), hierna ook gezamenlijk: de minderjarigen, gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen van 19 juni 2012 tot 1 februari 2013, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling, zulks ter effectuering van de indicatiebesluiten van 4 juni 2012.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.
Onder meer staat het volgende vast:
De minderjarigen zijn geboren uit het huwelijk van de ouders. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de minderjarigen. De minderjarigen staan sinds 1 februari 2009 onder toezicht en zijn in 2009 gedurende enkele maanden uit huis geplaatst. Vervolgens zijn de minderjarigen weer thuisgeplaatst, totdat zij op grond van de bestreden beschikking opnieuw uit huis zijn geplaatst. De minderjarigen verblijven thans feitelijk in een instelling van Stichting Jeugdformaat.
BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. In geschil is de uithuisplaatsing van de minderjarigen van 19 juni 2012 tot 1 februari 2013.
2. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek tot het verstrekken van een machtiging tot uithuisplaatsing van de drie minderjarigen af te wijzen.
3. Jeugdzorg bestrijdt het beroep en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen en mitsdien het verzoek in hoger beroep, strekkende tot vernietiging van de beschikking, af te wijzen.
4. De vader stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte de zienswijze van Jeugdzorg heeft overgenomen. De vader betwist dat hij en de moeder onvoldoende in staat zijn om de minderjarigen een veilige, stabiele en gestructureerde thuissituatie te bieden. De vader voert daartoe onder meer het volgende aan:
- de moeder heeft te maken met psychische problematiek, maar is daarvoor onder behandeling bij PsyQ en gebruikt medicijnen. De behandelaar bij PsyQ heeft schriftelijk aangegeven dat de thuissituatie niet zodanig is dat de minderjarigen niet veilig zouden zijn;
- de fysieke klachten van de vader zijn nagenoeg verdwenen sinds hij (na de zitting in eerste aanleg) geopereerd is aan zijn rug. De klachten beperken hem in ieder geval (thans) niet zodanig dat hij de verantwoordelijkheid voor het gezin niet aan kan;
- tussen de ouders is sprake van een liefdevolle relatie. Door haar problematiek vertoont de moeder soms afwijkend gedrag, maar dat betreft incidenten en deze werden bijvoorbeeld veroorzaakt doordat zij eenmaal te weinig medicijnen had gekregen;
- de ouders hanteren een opvoedstijl waarbij de minderjarigen vrij gelaten worden, maar zij worden niet verwaarloosd. De band en de communicatie tussen de ouders en de minderjarigen is heel goed;
- de ouders erkennen dat zij hulp nodig hebben, maar zij hebben vooral behoefte aan hulp bij praktische zaken, zoals het voeren van de administratie en hulp in de huishouding. Opvoedkundige hulp is niet nodig. De reden dat eerder hulpverlening binnen het gezin (door 10 voor Toekomst) niet is gelukt, was doordat de hulpverlener in kwestie het vertrouwen van de ouders had geschaad;
- de ouders zijn bereid de minderjarigen een zogeheten Kopp-training te laten doen; buiten hun schuld is deze nog niet van de grond gekomen;
- de ouders maken zich grote zorgen over het fysieke en geestelijke welzijn van de minderjarigen nu zij in het tehuis verblijven. Er zijn meerdere voorbeelden te noemen waaruit blijkt dat het tehuis de situatie niet onder controle heeft, hetgeen schadelijk is voor de minderjarigen.
5. Jeugdzorg is van mening dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de minderjarigen en voert daartoe het volgende aan:
- de aanleiding voor de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing was gelegen in de constatering dat de ouders de thuissituatie niet op orde hadden. Er was sprake van een vervuilde en chaotische woning. De minderjarigen zagen er onverzorgd uit. Volgens meldingen was er sprake van (overmatig) alcohol- en wietgebruik door de ouders en huiselijk geweld;
- de ouders hebben te maken met persoonlijke problematiek waardoor zij niet in staat zijn de zorg voor de minderjarigen op zich te nemen. Zij hebben onvoldoende oog voor de belangen van de minderjarigen. De ouders erkennen en herkennen de ontwikkelingsbedreigingen van de minderjarigen niet;
- de minderjarigen hebben meerdere ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt en zijn te veel op zichzelf aangewezen hetgeen hun ontwikkeling op het gebied van autonomie bedreigt. Desondanks zijn er geen zichtbare kindsignalen;
- gezien de psychische problematiek van de moeder is het noodzakelijk dat de minderjarigen een Kopp-training gaan volgen;
- ondanks voorheen ingezette intensieve hulpverlening in het gezin is de situatie niet verbeterd. De ouders hebben onvoldoende resultaat geboekt om de ontwikkelingsbedreigingen op te heffen. Zij voldoen niet aan de gestelde (bodem)eisen. De ouders blijven afhankelijk van hulpverlening;
- er is sprake van een zeer moeizame samenwerking met de vader.
6. Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:261 van Pro het Burgerlijk Wetboek kan de kinderrechter Jeugdzorg machtigen de minderjarige(n) gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige(n) of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Hoewel het hof van oordeel is dat uit de overgelegde stukken blijkt dat er ten tijde van de behandeling in eerste aanleg dusdanige zorgen waren over de thuissituatie, dat een uithuisplaatsing geïndiceerd was, is dit naar het oordeel van het hof nu niet langer het geval. In alle plannen van aanpak staan eisen/doelen vermeld waaraan de ouders moeten voldoen. Aan deze (bodem)eisen is inmiddels voldaan of zal alsnog kunnen worden voldaan. Ook de verklaringen van PsyQ en Thuiszorg wijzen niet op een bedreigende thuissituatie. De lichamelijke situatie van de vader is fors verbeterd; deze was mede grond om tot een uithuisplaatsing te besluiten. Voorts stelt Jeugdzorg dat geen kindsignalen aanwezig zijn en dat de minderjarigen het goed doen op school. Ter zitting stelt Jeugdzorg aanvullend dat er nog andere ontwikkelingsbedreigingen aanwezig zouden zijn, waardoor Jeugdzorg ook nog onderzoek zou willen doen naar de minderjarigen, maar Jeugdzorg maakt deze stelling niet concreet en onderbouwt deze stelling niet. Zo wordt bijvoorbeeld gesteld dat de vader overmatig alcohol zou gebruiken, maar zijn er geen feiten gesteld die tot deze conclusie kunnen leiden. Het hof is verder gebleken dat sprake is van een zeer hechte band tussen de ouders en de minderjarigen. Daarmee staat de noodzaak voor een uithuisplaatsing van de minderjarigen niet (langer) vast. Gelet op de ingrijpendheid van de maatregel mag deze daarom niet langer voortduren.
7. Het voorstaande betekent niet dat er in het geheel geen zorgen zijn. Er is psychiatrische problematiek bij de moeder en het hof acht het van belang dat zij haar behandeling voortzet. Het hof onderschrijft het belang van het volgen van een Kopp-training door de minderjarigen. Deze training dient zo spoedig mogelijk gestart te worden. Voorts dient hulpverlening te worden ingezet bij het gezin en moeten de ouders deze hulpverlening toelaten.
8. Uit het voorgaande volgt dat de duur van de bij de bestreden beschikking verleende machtiging tot plaatsing van de minderjarigen in een instelling van Stichting Jeugdformaat dient te worden bekort tot enkele dagen na afgifte van deze beschikking. De bestreden beschikking dient dan ook wat betreft de vastgestelde termijn te worden vernietigd en het hof zal dienovereenkomstig beslissen.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking wat betreft de duur van de verleende machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen en, in zoverre opieuw beschikkende:
bepaalt dat de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing eindigt op vrijdag 30 november 2012 in die zin dat de minderjarigen op die dag na schooltijd zullen terugkeren naar huis;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;
wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Leuven, Mink en Van Montfoort, bijgestaan door mr. Wijkstra als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 november 2012.