1. Partijen zijn niet opgekomen tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank onder 1. van het bestreden vonnis, zodat het hof ook van deze feiten zal uitgaan. Het gaat in deze zaak om het volgende.
1.1. Bij arrest van het hof Amsterdam van 11 februari 2009 zijn aan [appellant] wegens - samengevat - afpersing, bedreiging, diefstal en vernieling schadevergoedingsmaatregelen opgelegd van vijfmaal € 3.500,- en eenmaal € 32.000,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door (opgeteld) 420 dagen hechtenis, met dien verstande dat [appellant] van zijn betalingsverplichting is of zal zijn bevrijd indien en voor zover zijn mededaders hebben betaald. Het arrest is onherroepelijk geworden.
1.2. De tenuitvoerlegging van de schadevergoedingsmaatregel is overgedragen aan het Centraal Justitieel Incassobureau (hierna: het CJIB).
1.3. Nadat een eerder verzoek om een betalingsregeling van [appellant] was afgewezen, heeft het CJIB bij brief van 2 december 2009 een betalingsregeling toegestaan van € 50,- per maand voor de duur van zes maanden. Hierbij is [appellant] er door het CJIB op gewezen dat hij vóór 2 juni 2010 een nieuw betalingsvoorstel diende te doen en dat hij er rekening mee moest houden dat het totale bedrag binnen 27 maanden (de destijds geldende wettelijke termijn) betaald diende te zijn.
1.4. Bij een ongedateerde brief, bij het CJIB binnengekomen op 22 juni 2010, heeft [appellant] het CJIB verzocht wederom akkoord te gaan met een betalingsregeling van € 50,- per maand. Bij brief van 25 juni 2010 heeft het CJIB, met verwijzing naar de toen geldende wettelijke termijn van 27 maanden, dit voorstel afgewezen. In deze brief schrijft het CJIB dat [appellant] minstens € 1.817,34 per maand dient te voldoen.
1.5. Bij brief van 28 juni 2010 heeft [appellant] zijn betalingsvoorstel van € 50,- per maand herhaald. In de toelichting schrijft [appellant] dat hij, in afwachting van een uitkering, een inkomen heeft van € 40,- per week en dat hij nog andere schulden heeft.
1.6. Bij brief van 1 juli 2010 heeft het CJIB het voorstel van [appellant] afgewezen en hem meegedeeld dat de incasso op de gebruikelijke manier wordt voortgezet.
1.7. Nadat de ingeschakelde deurwaarder aan het CJIB had meegedeeld dat [appellant] geen verhaal bood, heeft het CJIB bij brief van 12 september 2011 een “waarschuwing arrestatiebevel” aan [appellant] gezonden.
1.8. Bij brief van 16 september 2011 meldt [forensich therapeut], forensisch therapeut bij GGZ Noord-Holland-Noord, met betrekking tot de gezondheidsituatie van [appellant] het volgende:
"Op 29 januari 2010 stelde [psychiater] de diagnose partiele ptss/depressieve stoornis. Hij beoordeelde dit als matig tot ernstig. In dat verband kreeg u medicatie voorgeschreven, te weten (...).
U heeft mij laten weten dat uw functioneren daarop verbeterd is en dat deze medicatie geen invloed heeft op de kwaliteit van uw werkzaamheden."
1.9. Bij ongedateerde brief, bij het CJIB binnengekomen op 18 oktober 2011, heeft [appellant] een betalingsvoorstel van € 500,- per maand gedaan. Dit voorstel is door het CJIB bij brief van 20 oktober 2011 afgewezen, met als motivering dat de zaak reeds uit handen is gegeven aan de politie.
1.10. Bij brief van 26 oktober 2011 heeft de huisarts van [appellant] hem verwezen naar de GGD voor keuring geschiktheid gijzeling. In deze verwijsbrief wordt melding gemaakt van twee hartinfarcten die [appellant] in september 2009 heeft doorgemaakt.
1.11. Naar aanleiding van een door [appellant] aanhangig gemaakt kort geding heeft het CJIB in december 2011 de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis opgeschort in afwachting van medisch onderzoek naar de detentieongeschiktheid van [appellant].
1.12. Bij brief van 25 januari 2012 heeft de medisch adviseur van het Ministerie van Veiligheid en Justitie aan het CJIB het volgende meegedeeld:
"Onder verwijzing naar uw schrijven van 2 december 2011 betreffende de plaatsing van bovengenoemde veroordeelde, bericht ik u dat ik bijgevoegde medische informatie heb bestudeerd alsmede medische informatie heb opgevraagd.