ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ2626
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Van Leuven
- Van Dijk
- Van Wijk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling wettelijke termijn ontkenning vaderschap en strijd met EVRM
De man verzocht om ontkenning van zijn vaderschap over zijn jongmeerderjarige kind, geboren tijdens zijn huwelijk met de vrouw. Hij stelde dat de wettelijke termijn van één jaar voor het indienen van een dergelijk verzoek, zoals bepaald in artikel 1:200, vijfde lid, BW, een onrechtmatige inmenging vormt in zijn familie- en gezinsleven en daarmee strijdig is met artikel 8 EVRM Pro.
Het hof stelde vast dat de man zijn verzoek niet binnen de wettelijke termijn had ingediend en dat hij geen overtuigende redenen had gegeven waarom de termijn niet toegepast zou moeten worden. De belangen van het kind en de gemeenschap bij rechtszekerheid en het voorkomen van langdurige onzekerheid over identiteit werden zwaarwegend geacht.
Hoewel de man stelde dat hij pas later bekend werd met de vermoedelijke niet-verwekking en dat de moeder destijds dronken was, achtte het hof deze omstandigheden onvoldoende om de termijn te negeren. Het hof concludeerde dat de wettelijke termijn geen ontoelaatbare inmenging vormt in het door artikel 8 EVRM Pro beschermde familie- en gezinsleven.
Daarom vernietigde het hof de bestreden beschikking van de rechtbank die de man niet-ontvankelijk had verklaard, maar wees het verzoek inhoudelijk af. Het belang van rechtszekerheid en bescherming van het kind prevaleert boven het belang van de man om de juridische situatie aan te passen aan de feitelijke situatie.
Uitkomst: Het verzoek tot ontkenning van het vaderschap wordt afgewezen wegens overschrijding van de wettelijke termijn zonder ontoelaatbare inmenging in het familie- en gezinsleven.