ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ5990

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
31 oktober 2012
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
200.107.542-01
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Leuven
  • Van den Wildenberg
  • Fockema Andreae-Hartsuiker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening kinderalimentatie en omgangsregeling na geschil tussen ouders

In deze zaak stond de herziening van kinderalimentatie en de omgangsregeling tussen vader en minderjarige centraal. De moeder was in hoger beroep gegaan tegen een eerdere beschikking waarin de alimentatiebedragen en omgangsregeling waren vastgesteld. De vader had een doorlopend krediet als schuld opgevoerd, wat de moeder betwistte.

Het hof oordeelde dat de vader voldoende bewijs had geleverd van het doorlopend krediet en de maandelijkse aflossingen, waardoor rekening met deze schuld bij de draagkrachtberekening gerechtvaardigd was tot september 2013. Daarna zou de alimentatie worden verhoogd naar €205 per maand. Wat betreft de omgangsregeling stelde het hof vast dat de spanningen tussen ouders het contact bemoeilijkten, en dat de minderjarige bezwaar had tegen de eerdere regeling.

Het hof besloot daarom de omgangsregeling aan te passen aan de wens van de minderjarige, die op 13-jarige leeftijd eenmaal per veertien dagen een zaterdagmiddag bij de vader zou zijn, met mogelijkheid tot uitbreiding in onderling overleg. De bestreden beschikking werd voor dit deel vernietigd en herzien, terwijl overige onderdelen werden bekrachtigd.

Uitkomst: De kinderalimentatie wordt verhoogd naar €205 per maand vanaf 1 september 2013 en de omgangsregeling wordt aangepast tot eenmaal per veertien dagen een zaterdagmiddag bij de vader.

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘S-GRAVENHAGE
Sector Civiel recht
Uitspraak : 31 oktober 2012
Zaaknummer : 200.107.542/01
Rekestnummer rechtbank : FA RK 11-4916
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. A.F. Mandos te 's-Gravenhage,
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. H. Polat te 's-Gravenhage.
In verband met het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming te 's-Gravenhage,
hierna te noemen: de raad.
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
De moeder is op 29 mei 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 29 februari 2012 van de rechtbank 's-Gravenhage.
De vader heeft op 23 juli 2012 een verweerschrift ingediend.
Bij het hof is voorts van de zijde van de moeder op 8 juni 2012 een brief van 7 juni 2012 met bijlagen ingekomen.
De zaak is op 26 september 2012 mondeling behandeld.
Ter zitting waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat.
De raad is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
De hierna te noemen minderjarige is in raadkamer gehoord.
PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN
Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.
Bij die beschikking is, voor zover in hoger beroep van belang:
- bepaald dat de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] (verder: de minderjarige), in de maanden maart en april 2012 een middag per week bij de vader zal zijn en vanaf de maand mei 2012 eenmaal per veertien dagen van vrijdag 18.00 uur tot zondag 19.00 uur, alsmede de helft van de schoolvakanties;
- de door de vader met ingang van 1 juli 2011 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna: kinderalimentatie) bepaald op € 180,- per maand, te voldoen op een door partijen nog te openen rekening ten behoeve van de minderjarige, vermeerderd met iedere uitkering die hem op grond van geldende wetten of regelingen ten behoeve van de minderjarige kan of zal worden verleend;
- de door de vader met ingang van 1 maart 2012 te betalen kinderalimentatie bepaald op € 160,- per maand, te voldoen op een door partijen nog te openen rekening ten behoeve van de minderjarige, vermeerderd met iedere uitkering die hem op grond van geldende wetten of regelingen ten behoeve van de minderjarige kan of zal worden verleend.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. Vast staat dat de vader de minderjarige heeft erkend, de moeder heeft het eenhoofdig gezag over de minderjarige.
BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. In geschil zijn de door de vader te betalen kinderalimentatie, en de vaststelling van een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige.
2. De moeder verzoekt het hof (naar het hof begrijpt) de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de kinderalimentatie te herberekenen met uitsluiting van de schuld waarvan de vader melding heeft gedaan maar niet afdoende heeft weten te onderbouwen;
II. de minderjarige te horen en haar mening en persoonlijk belang en dat van partijen in aanmerking te nemen bij het vaststellen van een nieuwe omgangsregeling tussen partijen.
3. De vader bestrijdt het beroep en verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep dan wel haar hoger beroep af te wijzen.
Kinderalimentatie
4. De moeder voert het volgende aan. De moeder is van mening dat zij wel afdoende heeft weersproken dat zij is uitgekocht en dat er van een persoonlijke lening in de vorm van een doorlopend krediet, waarvan zij de vruchten heeft geplukt, nooit sprake is geweest. De vader heeft dit nooit met bewijs onderbouwd.
5. De vader stelt dat hij bij de rechtbank middels bewijsstukken heeft aangetoond dat hij de betreffende lening is aangegaan voor de uitkoop van de moeder. Hij verwijst in het bijzonder naar de nota van de notaris. De vader legt een verklaring over van de financieel adviseur die betrokken was bij de overdracht. Ook heeft de vader nog bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat hij daadwerkelijk aflost op de lening.
6. Het hof overweegt als volgt. Ter zitting heeft de vader, met instemming van de moeder, de (in het dossier ontbrekende) tweede pagina van productie 4 E bij het verweerschrift eerste aanleg overgelegd. Het betreft een brief van 26 augustus 2003 aan de vader, van notaris H.P. Heemskerk. Het hof is van oordeel dat, mede door overlegging van dit stuk, de vader genoegzaam heeft aangetoond dat hij een doorlopend krediet heeft waarop hij maandelijks aflost. Op grond van vaste rechtspraak dient bij de bepaling van de draagkracht in beginsel rekening te worden gehouden met alle schulden van de onderhoudsplichtige. Gelet op het voorgaande acht het hof het redelijk om bij de bepaling van de financiële draagkracht van de vader, evenals de rechtbank heeft gedaan, rekening te houden met een bedrag van € 108,- per maand ter zake de aflossing van het doorlopend krediet.
De vader heeft ter zitting bij het hof te kennen gegeven dat per 1 september 2013 het doorlopend krediet zal zijn afgelost.
Uitgaande van het voorgaande, alsmede rekening houdende met de overige posten van de draagkrachtberekening waarmee de rechtbank rekening heeft gehouden en die door de moeder niet zijn weersproken, is het hof van oordeel dat de rechtbank tot 1 september 2013 op goede gronden de kinderalimentatie heeft vastgesteld. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook in zoverre bekrachtigen.
Het hof zal de draagkracht van de vader met ingang van 1 september 2013 opnieuw berekenen en daarbij voornoemde aflossing van € 108,- per maand buiten beschouwing laten.
Naar het oordeel van het hof is de vader in staat om met ingang van 1 september 2013 € 205,- per maand aan kinderalimentatie te betalen.
Het hof zal overeenkomstig beslissen.
Omgangsregeling
7. De moeder stelt dat zij heeft getracht om een regelmatige bezoekregeling met de vader te treffen, hetgeen niet gelukt is. Volgens de moeder kwam de vader regelmatig gewoon niet opdagen of een gemaakte afspraak werd door hem op het laatste moment afgezegd. Als hij de minderjarige bij de moeder thuis bezocht dan besteedde hij weinig aandacht aan haar, hij zat continu aan de telefoon en had meer interesse in zijn sociale netwerk. Verder heeft hij de minderjarige opgehaald voor een dagje uit, maar dan bracht hij haar niet op de afgesproken tijdstippen thuis. Ook heeft hij de minderjarige meerdere keren aan een nieuwe vriendin voorgesteld. De minderjarige vindt dat er onvoldoende rekening is gehouden met haar wens betreffende de omgang tussen haar en de vader. De moeder verwijst naar de door haar overgelegde verklaring van de minderjarige en de verklaring van [naam] die aanwezig was bij het minderjarigenverhoor bij de rechtbank.
8. De vader betwist de stellingen van de moeder. Hij acht het opmerkelijk dat [naam] aanwezig was bij het verhoor van de minderjarige, hij was hiervan niet op de hoogte, en wenst daar graag duidelijkheid over. De vader gelooft niet dat wat de minderjarige op schrift heeft gesteld haar eigen mening is. Hij denkt dat het onder druk van de moeder op papier is gezet.
De moeder heeft zich volgens de vader niet gehouden aan de vastgestelde omgangsregeling en informatieplicht.
9. Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek de minderjarige en de niet met het gezag belaste ouder recht op omgang met elkaar hebben tenzij sprake is van één van de in het derde lid van dit artikel limitatief gemelde gronden voor ontzegging van dit recht, welke gronden als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
10. Het hof overweegt als volgt. Gebleken is dat de strijd tussen de vader en de moeder een obstakel vormt voor het contact en de omgang tussen de vader en de minderjarige en dat het opbouwen van contact en omgang slechts mogelijk is indien partijen in staat zijn om hun problemen met elkaar op te lossen en het vertrouwen in elkaar te herstellen. Dit is tot op heden helaas niet mogelijk gebleken. Gezien de onrust en spanning die in dit geval voor de minderjarige uit een opgelegde omgangsregeling zullen voortvloeien, alsmede gelet op de door de minderjarige (tijdens het kinderverhoor bij, in ieder geval, het hof) geuite bezwaren tegen de door de rechtbank opgelegde, in haar ogen te uitgebreide, omgangsregeling met de vader, alsmede gezien de leeftijd van de minderjarige (13 jaar), zal het hof een omgangsregeling vaststellen overeenkomstig de wens van de minderjarige van eenmaal per veertien dagen een zaterdagmiddag, danwel een andere in onderling overleg vast te stellen middag per veertien dagen.
11. Het hof merkt nog op dat het voor partijen en de minderjarige mogelijk is om voornoemde omgangsregeling in onderling overleg uit te breiden.
12. Dit leidt tot de volgende beslissing.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking voor zover het de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige met ingang van 1 september 2013 en het de omgangsregeling betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt de door de vader aan de moeder, althans op de gemeenschappelijk door de partijen daartoe geopende rekening, te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige met ingang van 1 september 2013 op € 205,- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt dat de minderjarige eenmaal per veertien dagen op zaterdagmiddag, danwel een andere in onderling overleg vast te stellen middag per veertien dagen, bij de vader zal zijn;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan 's hofs oordeel onderworpen voor het overige.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Leuven, Van den Wildenberg en Fockema Andreae-Hartsuiker, bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 oktober 2012.