ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ5993

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
28 november 2012
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
200.113.467-01
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Dijk
  • Husson
  • Van de Poll
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen echtscheiding geweigerd wegens onmogelijkheid tot intrekken verzoek

In deze zaak heeft de vrouw hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank die de echtscheiding tussen haar en de man op hun gezamenlijk verzoek heeft uitgesproken. De vrouw verzocht het hof om de echtscheiding pas uit te spreken nadat de financiële afwikkeling, waaronder de zekerstelling van pensioenrechten en woonruimte, volledig was geregeld.

De vrouw vreesde dat zij en de minderjarige kinderen zes maanden na inschrijving van de echtscheiding in het register van de burgerlijke stand de echtelijke woning zouden moeten verlaten zonder zekerheid op passende vervangende woonruimte. Tevens was er bezorgdheid over het veiligstellen van haar pensioenaanspraken en het mogelijke verkooprisico van de woning zonder haar toestemming.

Het hof overwoog dat het hoger beroep niet is bedoeld om een reeds toegewezen echtscheidingsverzoek ongedaan te maken, zoals bevestigd in de jurisprudentie van de Hoge Raad (4 juni 1999, R98/005). Daarom werd het hoger beroep van de vrouw verworpen voor zover het de echtscheiding betrof.

De zaak wordt voortgezet voor verdere behandeling van andere aspecten, waarbij partijen zullen worden opgeroepen voor een mondelinge behandeling op een nader te bepalen tijdstip. De beslissing over de kosten van het hoger beroep blijft aangehouden.

Uitkomst: Het hoger beroep van de vrouw tegen de echtscheiding wordt verworpen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Sector Civiel recht
Uitspraak : 28 november 2012
Zaaknummer : 200.113.467/01
Rekestnummer rechtbank : FA RK 11-9612 en FA RK 11-6985
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. P.J.Ph. Dietz de Loos te Wassenaar,
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. J.I. van Leeuwen te Wassenaar.
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
De vrouw is op 17 september 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 18 juni 2012 van de rechtbank ’s-Gravenhage.
De man heeft op 24 september 2012 een verweerschrift ingediend.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van de vrouw:
- op 19 november 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen;
- op 20 november 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen;
van de zijde van de man: op 2 november 2012 een faxbericht.
De zaak is op 22 november 2012, uitsluitend ten aanzien van het hoger beroep tegen de echtscheiding, mondeling behandeld.
Partijen zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN
Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.
Bij die beschikking is, voor zover thans van belang, de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.
BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. In geschil is thans uitsluitend de echtscheiding.
2. De vrouw verzoekt het hof om bij beschikking, voor zover de wet dat toelaat uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van de echtscheiding en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de echtscheiding pas wordt uitgesproken nadat de financiële afwikkeling (inclusief de vaststelling en zekerheidsstelling van de pensioenrechten ten behoeve van de vrouw geborgd en gezekerd is ten behoeve van de vrouw) krachtens de huwelijkse voorwaarden volledig heeft plaatsgevonden.
De vrouw stelt dat, indien de echtscheiding wordt ingeschreven, de vrouw met de minderjarigen zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand op straat komt te staan, doordat zij de echtelijke woning moeten verlaten, terwijl geen enkele zekerheid bestaat op een acceptabele vervangende woonruimte. Ook loopt de vrouw het risico dat zij haar pensioenaanspraken jegens de man niet geldend kan maken en kan de man de echtelijke woning verkopen, zonder dat de vrouw daar toestemming voor gevraagd zal worden.
3. De man stelt dat zowel de man als de vrouw een verzoek tot echtscheiding bij de rechtbank hebben ingediend. Op 18 juni 2012 is de echtscheiding door de rechtbank op beider verzoek uitgesproken. De vrouw bewoont al anderhalf jaar de voormalige echtelijke woning terwijl de man alle lasten voor zijn rekening neemt. De man verbaast zich erover dat de vrouw in hoger beroep gaat tegen de echtscheiding met als doel de termijn te verlengen van het bewonen van de voormalige echtelijke woning. De man verzoekt een beslissing te nemen inzake de ontvankelijkheid van de vrouw inzake haar beroep tegen de echtscheiding.
4. Het hof overweegt als volgt. Het hoger beroep van de vrouw richt zich tegen de toewijzing van haar eigen verzoek in eerste aanleg, waarbij de vrouw, evenals de man, heeft verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken.
Het hof zal het hoger beroep van de vrouw verwerpen, nu het rechtsmiddel van hoger beroep niet is gegeven om aan een partij wier verzoek tot echtscheiding door de eerste rechter is toegewezen, gelegenheid te geven die beschikking ongedaan te maken omdat zij bij nader inzien de voorkeur eraan geeft van het verzoek af te zien (zie ook: LJN: ZC2924, Hoge Raad, 4 juni 1999, R98/005).
5. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing; iedere verdere beslissing, ook die ten aanzien van de kosten wat betreft het hoger beroep tegen de echtscheiding, zal worden aangehouden.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
verwerpt het hoger beroep van de vrouw voor zover het de echtscheiding betreft;
bepaalt dat de behandeling van de zaak zal worden voortgezet op een nader te bepalen tijdstip;
bepaalt dat partijen door de griffier zullen worden opgeroepen voor de alsdan door het hof te bepalen mondelinge behandeling;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Dijk, Husson en Van de Poll, bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 november 2012.