ECLI:NL:GHSHE:1997:AA4350
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Eerste aanleg - meervoudig
- P.J. van Amersfoort
- A.J. van Soest
- C. van Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling dividendbelasting bij inkoop eigen aandelen door Nederlandse vennootschap van Duitse onderneming
Belanghebbende, een Nederlandse vennootschap, heeft in 1988 75 aandelen ingekocht van B GmbH, een Duitse onderneming, tegen een koopsom van ƒ 427.836,-- waarvan ƒ 18.750,-- was gestort. Deze koopsom werd afgeboekt op het eigen vermogen en het aantal geplaatste aandelen werd verminderd. De Inspecteur legde een naheffingsaanslag dividendbelasting op over het verschil tussen de koopsom en het gestorte kapitaal, dat als dividend werd aangemerkt.
Het geschil betrof de vraag of deze inkomsten als dividend in de zin van artikel 13 van Pro het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland moesten worden beschouwd, waar Nederland een heffing van maximaal 15% mag toepassen, of als inkomsten uit onderneming of vervreemding van deelneming waarop Duitsland het heffingsrecht heeft. Belanghebbende stelde dat het dividendbegrip beperkt is tot particuliere aandeelhouders, terwijl de Inspecteur stelde dat de aard van de inkomsten bepalend is.
Het Hof oordeelde dat de onttrekking als uitdeling van winst tot de opbrengst van aandelen behoort waarover dividendbelasting wordt geheven, ook als de ontvanger ondernemer is. Het Slotprotocol bij het Verdrag sluit toepassing van artikel 5 en Pro 8 uit voor deze inkomsten. Nederland heeft daarom het recht om een bronheffing van maximaal 15% toe te passen. De bestreden uitspraak van de Inspecteur werd bevestigd.
Er werd geen veroordeling in proceskosten opgelegd. De uitspraak werd op 4 februari 1997 door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat Nederland recht heeft op een bronheffing van 15% dividendbelasting over de inkoop van eigen aandelen.