Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:1998:AB0733

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
31 maart 1998
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
97/00576
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 lid 1 Successiewet 1956Art. 33 Successiewet 1956Art. 11 Wet algemene bepalingen van 15 mei 1829Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging aanslag schenkbelasting bij schenking aan broer zonder vrijstelling

Het geschil betreft een aanslag schenkbelasting opgelegd aan belanghebbende naar aanleiding van een schenking van 10.000 gulden door zijn broer. Belanghebbende voerde aan dat de gelden afkomstig waren van hun overleden ouders en dat de schenking daarom anders belast zou moeten worden, onder meer op grond van billijkheid en toepassing van tariefgroep I.

Het hof oordeelt dat voor de toepassing van de Successiewet 1956 niet van belang is hoe de schenker zijn vermogen heeft verkregen. De schenking valt onder tariefgroep II en is niet vrijgesteld. Het beroep op de hardheidsclausule wordt afgewezen omdat dit niet tot de taak van de belastingrechter behoort.

Het hof verwerpt ook de stelling dat er juridisch geen sprake is van een schenking, aangezien de aangifte en het gedrag van partijen dit vermoeden niet ontzenuwen. De aanslag wordt bevestigd en er worden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het hof bevestigt de aanslag schenkbelasting van 26% over de schenking en wijst het beroep af.

Uitspraak

BELASTINGKAMER
Nr. 97/0576
31 maart 1998 HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH
PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK
Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, eerste enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid Registra-tie en succes-sie van de rijksbe-las-ting-dienst te Y (hier-na: de Inspecteur) op zijn bezwaar-schrift betreffende de hem opge-legde aanslag in het recht van schen-king, welke aanslag, tezamen met andere aanslagen in het recht van schenking betreffende na te noemen schenkin-gen, is opgenomen in het aan-slag-bil-jet, jaar 1996, aanslag-num-mer 0.00.00.0000, suc-cessie 8 nr. 00.00000.
De mondelinge behandeling.
Deze heeft plaatsgevonden in raadkamer op 17 maart 1998 te
's-Hertogenbosch.
Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende en de
Inspec-teur.
Na behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 31 maart 1998, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.
De beslissing.
Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.
De gronden.
1. Belanghebbendes broer de heer A (hierna: de schenker) en belanghebbende, zijn zuster, een andere broer en schoonzuster (hierna: de begif-tigden) hebben in september 1996 aangifte gedaan van een schenking door de schenker aan ieder van de vier begiftigden van een som in contanten groot fl. 10.000,--.
2. Naar aanleiding van genoemde aangifte heeft de Inspecteur met dagtekening 21 november 1996 aan ieder van de begiftigden een aanslag opgelegd naar tariefgroep II, zonder vrijstelling.
3. Belanghebbende voert tegen zijn aanslag zakelijk aan
- dat de geschonken gelden afkomstig zijn van zijn overleden, zeer hard gewerkt en zuinig geleefd hebbende, ouders, die deze indertijd aan zijn broer, nu de schenker, vanwege diens geestelijk gehandicapt zijn, hebben verstrekt,
- dat een deel van vorenbedoelde gelden door zijn ouders is verkregen door afdracht aan hen van (belaste) inkomsten van hun destijds thuis wonende kinderen, waaronder belanghebbende, doch uitgezonderd de schenker,
- dat de schenker de laatste jaren aanzienlijk vooruit gegaan is en daarom vorenbedoelde gelden over zijn zuster, broers en schoonzus-ter wilde verdelen en hiertoe door vorenvermelde schenkin-gen is overge-gaan,
- dat, gelet op het vorenstaande, de aan belanghebbende gedane schen-king, als deze al niet dient te worden vrijgesteld, in ieder geval dient te worden belast naar tariefgroep I, en
- dat belanghebbendes grief, vooral op grond van de billijkheid, dient te worden gehonoreerd.
4. Voor het geval belanghebbende mocht hebben bedoeld te stellen dat in casu juridisch geen sprake is van een schenking door zijn broer aan belanghebbende van fl. 10.000,-- maar van het ontvangen van een bedrag dat belanghebbende reeds lang toekwam, verwerpt het Hof deze stelling omdat uit de inhoud van de onder 1 aangehaalde aangifte blijkt dat alle onder 1 bedoelde personen van oordeel waren dat een schenking aan de orde was en het Hof hieruit het vermoeden put dat belanghebbende het bedrag van fl. 10.000,-- ten titel van schenking heeft ontvangen. Belanghebbende heeft dit vermoeden door zijn onder 3 weergegeven betoog niet ontzenuwd, omdat in dit betoog niet wordt gesteld, laat staan door dit betoog aanne-melijk is gemaakt dat het bedrag van fl. 10.000,-- niet door A aan belanghebbende werd geschonken.
5. Ingevolge artikel 24, lid 1, van de Successiewet 1956 (tekst 1996; hierna: de Wet) dient indien ingevolge schen-king verkregen wordt door broers, zusters of bloedverwanten in de rechte opgaande lijn, zulk een ver-krijging te worden belast naar tariefgroep II.
Vorenvermelde schenking aan belanghebbende valt onder geen enkele vrijstel-ling van artikel 33 van Pro de Wet.
Voor de toepassing van de Wet is, anders dan belanghebbende wel-licht veronderstelt, niet van belang op welke wijze een schenker zijn vermogen heeft verkregen.
Op grond van de Wet dient derhalve de gehele schenking aan belang-heb-bende te worden belast naar 26%.
6. Beoordeling van een beroep op de hardheidsclausule behoort, zoals de Inspecteur ter zitting terecht heeft opgemerkt, niet tot de taak van de belastingrechter.
Ingevolge artikel 11 van Pro de Wet algemene bepalingen van 15 mei 1829, Stb. 28, mag de rechter in geen geval de innerlijke waarde of billijk-heid der wet beoorde-len.
7. Op grond van het vorenstaande dient te worden beslist in de door de Inspecteur voorgestane zin.
Proceskosten.
Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proces-kosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve recht-spraak belastingzaken.
Aldus vastgesteld te 's-Hertogenbosch op 31 maart 1998 door
mr. A. Stoop, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van
mr. D.G. Moll van Charante, waarnemend-griffier, en op die datum
in het openbaar uitgesproken.
Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 10 april 1998