ECLI:NL:GHSHE:2000:AA5983

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
11 februari 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
96/02512
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging naheffingsaanslag omzetbelasting wegens onvoldoende bewijs vervoer goederen naar andere Lid-Staat

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag omzetbelasting over het jaar 1994. Het geschil betreft de vraag of de geleverde goederen daadwerkelijk naar een andere Lid-Staat zijn vervoerd, hetgeen van belang is voor de toepassing van de verleggingsregeling en vrijstelling.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof vastgesteld dat belanghebbende onvoldoende bewijs heeft geleverd om aan te tonen dat de goederen daadwerkelijk zijn vervoerd naar een andere Lid-Staat. Daarbij is ook overwogen dat contant betaalde afhaaltransacties zonder vaste afnemer en met goederen geschikt voor consumptief gebruik extra risico's met zich meebrengen.

De parlementaire geschiedenis toont aan dat bescherming alleen geldt voor verkopers die te goeder trouw zijn en alle redelijke voorzorgsmaatregelen hebben genomen om de eindbestemming te verifiëren. Belanghebbende heeft echter geen stappen ondernomen om zich te vergewissen van het vervoer van de goederen, waardoor deze bescherming niet van toepassing is.

Gelet op deze omstandigheden is het hof van oordeel dat het gelijk aan de zijde van de Inspecteur ligt en bevestigt het de bestreden uitspraak. De Inspecteur maakt geen aanspraak op proceskostenvergoeding en bijzondere omstandigheden voor kostenvergoeding zijn niet gesteld of gebleken.

Uitkomst: Het hof bevestigt de naheffingsaanslag omzetbelasting wegens onvoldoende bewijs van vervoer van goederen naar een andere Lid-Staat.

Uitspraak

BELASTINGKAMER
Nr. 96/02512
HET GERECHTSHOF TE ’s-HERTOGENBOSCH
PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK
Uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, tweede meervoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer C te N tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid ondernemingen te Y van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op zijn bezwaarschrift betreffende de hem opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 1994 tot en met 31 december 1994, aanslagnummer 000.00.000.00.
De mondelinge behandeling:
De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 19 januari 2000 te ’s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer drs. W, als gemachtigde van belanghebbende, tot bijstand vergezeld van de heer X, beiden verbonden aan Accountantskantoor Q te R, alsmede, namens de Inspecteur, de heer L, tot bijstand vergezeld van de heer mr. F, beiden verbonden aan de vorengenoemde eenheid van de rijksbelastingdienst.
Na behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 31 januari 2000, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.
De beslissing:
Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.
De gronden:
(1) Belanghebbende heeft met alle door hem overgelegde stukken, ook indien deze tezamen worden beschouwd, niet overtuigend aangetoond dat de onderhavige goederen naar een andere Lid-Staat zijn vervoerd.
(2) Gelet op hetgeen in de resolutie is opgemerkt met betrekking tot contant betaalde afhaaltransacties waarin geen sprake is van een vaste afnemer en waarbij het gaat om goederen die - zoals de onderhavige - geschikt zijn voor consumptief gebruik, kan belanghebbende aan de resolutie geen in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen.
(3) Uit de parlementaire geschiedenis kan worden afgeleid dat de wetgever de verkoper te goeder trouw die alle voorzorgsmaatregelen heeft genomen die redelijkerwijs van een verkoper kunnen worden verwacht om zich te vergewissen omtrent de daadwerkelijke eindbestemming van de door hem verkochte goederen, heeft willen beschermen, doch, gelet op de omstandigheid dat het te dezen gaat om contant betaalde afhaaltransacties en belanghebbende niets heeft gedaan om zich ervan te vergewissen dat de goederen inderdaad naar een andere Lid-Staat werden vervoerd, komt belanghebbende voor deze bescherming niet in aanmerking.
(4) Gelet op het vorenstaande is het gelijk aan de zijde van de Inspecteur. Voor dit geval is niet in geschil dat de bestreden uitspraak dient te worden bevestigd.
(5) Het Hof acht, nu het gelijk aan de zijde van de Inspecteur is en bijzondere omstandigheden niet zijn gesteld of gebleken, geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot vergoeding van de door belanghebbende gemaakte proceskosten.
De Inspecteur heeft ter zitting verklaard geen aanspraak te maken op vergoeding van proceskosten.
(6) Gelet op al het vorenstaande moet worden beslist als eerder vermeld.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.
Aldus vastgesteld op 31 januari 2000 door J.A. Meijer, voor-zitter, M.E. van Hilten en A.L.C. Simons, en op die datum in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, waarnemend-griffier.
Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 11 februari 2000