ECLI:NL:GHSHE:2000:AA6023
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging naheffingsaanslag overdrachtsbelasting wegens ontbreken schriftelijke overeenkomst
Belanghebbende, een besloten vennootschap, had economische eigendom van een kantoorgebouw overgedragen gekregen van haar directeur, de heer J. De overdracht vond plaats bij notariële akte van 10 april 1995, na de inwerkingtreding van een wetswijziging die overdrachtsbelasting heft op economische eigendom. Belanghebbende voerde aan dat er vóór 31 maart 1995, 18.00 uur, een mondelinge overeenkomst bestond die gelijkgesteld moest worden aan een schriftelijke overeenkomst, waardoor de overgangsregeling van artikel V, vierde lid, van de Wijzigingswet van toepassing zou zijn en de heffing buiten toepassing zou blijven.
Het hof oordeelde dat de overgangsregeling schriftelijke overeenkomsten vereist en dat een mondelinge overeenkomst niet volstaat. Uit de stukken bleek dat geen door beide partijen ondertekend schriftelijk stuk bestond vóór de genoemde datum en tijd. Het verslag van een bijeenkomst op 17 februari 1995 toonde slechts een intentie tot verkoop, geen schriftelijk aanbod of aanvaarding. Bovendien was de koopprijs pas na 31 maart 1995 vastgesteld.
Daarom werd geconcludeerd dat niet was aangetoond dat vóór de wetswijziging een schriftelijke overeenkomst bestond. Het beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag bevestigd. Proceskosten werden niet toegewezen en het griffierecht werd niet terugbetaald. Tegen deze uitspraak kan beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad.
Uitkomst: Het hof bevestigt de naheffingsaanslag omdat geen schriftelijke overeenkomst bestond vóór de wetswijziging.