ECLI:NL:GHSHE:2000:AA7473
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Koens
- Poeth
- Smeets
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid pleegmoeder in hoger beroep tegen uithuisplaatsing minderjarige
In deze zaak ging het om het hoger beroep van A, pleegmoeder van de minderjarige B, tegen een beschikking van de kinderrechter die machtiging gaf tot uithuisplaatsing van B in een gesloten inrichting. De moeder van B heeft het ouderlijk gezag en AJL is als gezinsvoogdij-instelling belast met de uitvoering van de uithuisplaatsing.
A stelde zich op het standpunt dat zij als pleegmoeder een belanghebbende was en derhalve gerechtigd tot het instellen van hoger beroep. AJL en de moeder van B betwistten dit en stelden dat A geen wettelijk vertegenwoordiger is en bovendien niet als belanghebbende kan worden aangemerkt, mede omdat de verblijfsduur van B bij A te kort was.
Het hof oordeelde dat een nauwe persoonlijke betrekking die family-life in de zin van artikel 8 EVRM Pro oplevert, doorgaans niet ontstaat bij een verblijf van circa één maand. Er waren geen bijzondere omstandigheden die dit anders maakten. Daarom kon A niet als belanghebbende worden beschouwd en was zij niet ontvankelijk in het hoger beroep.
De beschikking van de kinderrechter tot uithuisplaatsing werd gehandhaafd. Het hof wees ook op eerdere uitspraken waarin de positie van A als pleegmoeder niet werd erkend voor het voeren van rechtsgedingen namens B.
Deze beslissing bevestigt de strikte criteria voor het toekennen van belanghebbendenstatus aan pleegouders in procedures rond uithuisplaatsing.
Uitkomst: A is niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep omdat zij geen belanghebbende is volgens artikel 798 Rv.