ECLI:NL:GHSHE:2000:AA7490
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging naheffingsaanslag overdrachtsbelasting wegens schriftelijke overeenkomst vóór fatale tijdstip
In deze zaak stond centraal of de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting terecht was opgelegd aan belanghebbende voor de verkrijging van economische eigendom van onroerende zaken van zijn ouders. De Inspecteur had de aanslag gehandhaafd, maar belanghebbende voerde aan dat de overdracht plaatsvond op grond van een schriftelijke overeenkomst die reeds vóór 31 maart 1995, 18.00 uur bestond, waardoor de aanslag volgens de overgangsregeling niet van toepassing zou zijn.
Het Hof oordeelde dat een schriftelijke overeenkomst ook kan bestaan uit een schriftelijk aanbod gevolgd door een schriftelijke aanvaarding binnen redelijke termijn. Uit de stukken bleek dat de ouders op 6 maart 1995 een schriftelijk aanbod hadden gedaan en dat belanghebbende vóór het fatale tijdstip een schriftelijke volmacht had afgegeven om namens hem de akte te ondertekenen, waarmee hij instemde met de inhoud.
Hierdoor was volgens het Hof sprake van een schriftelijke overeenkomst vóór het fatale tijdstip. De verkrijging was het rechtstreekse gevolg van deze overeenkomst, zodat artikel 2, tweede lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer niet van toepassing was. De naheffingsaanslag en de bestreden uitspraak werden vernietigd. Tevens werd de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten.
Uitkomst: De naheffingsaanslag overdrachtsbelasting wordt vernietigd omdat de verkrijging het gevolg is van een schriftelijke overeenkomst vóór het fatale tijdstip.