ECLI:NL:GHSHE:2000:AA8915

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
27 november 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
99/01754
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond wegens niet-ontvankelijkheid in beroep tegen belastingaanslag 1997

Belanghebbende was niet-ontvankelijk verklaard in het beroep tegen de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1997, omdat het beroepschrift niet binnen de wettelijke termijn van zes weken na de uitspraak van de Inspecteur was ingediend.

Belanghebbende deed tijdig verzet tegen deze niet-ontvankelijkheidsverklaring. Het hof stelde vast dat het beroepschrift, gedagtekend 10 juni 1999 en ontvangen op 14 juni 1999, te laat was ingediend aangezien de termijn op 4 juni 1999 eindigde. De postregelgeving en de artikelen 6:7, 6:9 en 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) werden toegepast.

Belanghebbende voerde ziekte aan als reden voor de overschrijding, maar kon niet aannemelijk maken dat hij tijdens de beroepstermijn door ziekte niet in staat was het beroepschrift tijdig in te dienen. Het hof oordeelde daarom dat de niet-ontvankelijkheidsverklaring terecht was en verklaarde het verzet ongegrond.

Proceskosten werden niet toegewezen omdat geen gronden voor veroordeling aanwezig waren. Het door belanghebbende betaalde griffierecht wordt na onherroepelijkheid teruggegeven.

Uitkomst: Het verzet van belanghebbende wordt ongegrond verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Uitspraak

BELASTINGKAMER
Nr. 99/01754
HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH
U I T S P R A A K
Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, negende enkelvoudige Belastingkamer, op het verzet van E te K tegen de beschikking van de voorzitter van de Belastingkamer van dit Hof d.d. 12 september 2000 op het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid particulieren van de rijksbelastingdienst te Y (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1997.
De behandeling van het verzet
Er heeft geen mondelinge behandeling plaatsgevonden.
Belanghebbende heeft niet gevraagd in de gelegenheid te worden gesteld om te worden gehoord.
De gronden
1. Bij voornoemde beschikking is belanghebbende niet-ontvankelijk in het beroep verklaard uit overweging dat het beroepschrift niet binnen de wettelijke termijn van zes weken na de dagtekening van de uitspraak van de Inspecteur bij de griffie van het Gerechtshof is binnengekomen.
2. Belanghebbende heeft tegen deze beschikking tijdig verzet gedaan.
3. Belanghebbende heeft niet bestreden het in de beschikking vermelde uitgangspunt dat het afschrift van de uitspraak met dagtekening 23 april 1999 ter post is bezorgd en dat het beroepschrift, gedagtekend 10 juni 1999, op 14 juni 1999 bij de griffie van het Gerechtshof is binnengekomen. Nu van de onjuistheid van dit uitgangspunt ook overigens niet is gebleken gaat het Hof van de juistheid daarvan uit.
4. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken; deze termijn eindigde op 4 juni 1999.
Bij verzending per post is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen (artikelen 6:7 en 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb).
5. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de beroepstermijn is overschreden.
Niet-ontvankelijkheidverklaring kan dan ingevolge het bepaalde in artikel 6:11 van Pro de Awb nog slechts achterwege blijven indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest.
6. Hetgeen belanghebbende in zijn verzetschrift aanvoert is onvoldoende voor toepassing van artikel 6:11 van Pro de Awb. Belanghebbende is in de bestreden uitspraak gewezen op de beroepstermijn van zes weken en het beroepschrift is, gelet op de dagtekening ervan en de binnenkomst bij de griffie van het Gerechtshof, verzonden na het einde van de beroepstermijn, zijnde 4 juni 1999.
Belanghebbende, die stelt dat hij sinds december 1999 zwaar ziek is, heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in de periode waarin de beroepstermijn liep door ziekte niet in staat is geweest om zorg te dragen voor tijdige indiening van het beroepschrift door hemzelf of een gemachtigde.
7. Uit het vorenoverwogene volgt dat belanghebbende bij de beschikking van de voorzitter terecht niet-ontvankelijk is verklaard in het beroep. Het verzet is derhalve ongegrond.
De proceskosten
Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
De beslissing
Het Hof verklaart het verzet ongegrond.
Aldus vastgesteld op 27 november 2000 door R.J. Koopman, lid van voormelde kamer, in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, waarnemend-griffier, en op die dag in het openbaar uitgesproken.
Het door belanghebbende gestorte griffierecht zal na het onherroepelijk worden van deze uitspraak door de griffier van het Hof aan belanghebbende worden teruggegeven.
Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden
op: 27 november 2000