ECLI:NL:GHSHE:2000:AA9383

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
19 december 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C9900623
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Feith
  • De Groot-Van Dijken
  • Van Griensven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 213 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over bewijsopdracht en honorarium bij overeenkomst van opdracht

In deze civiele zaak ging het om een geschil tussen twee besloten vennootschappen over de betaling van een honorarium op grond van een overeenkomst van opdracht. De rechtbank had de vordering van appellante afgewezen omdat zij niet in haar bewijsopdracht was geslaagd. Appellante stelde in hoger beroep dat zij wel degelijk aannemelijk had gemaakt dat zij betaling mocht vragen voor haar werkzaamheden.

Het hof overwoog dat de bewijsopdracht aan appellante inhield dat zij aannemelijk moest maken dat de situatie zodanig was dat zij betaling mocht vragen, en niet dat zij een expliciete afspraak over de betaling moest bewijzen. Op basis van getuigenverklaringen van onder meer een fiscaal adviseur, een voormalig advocaat en de directeur van appellante, stelde het hof vast dat er geen bijzondere omstandigheden waren die betaling uitsloten. De brief van geïntimeerde uit november 1991 bevestigde de gebruikelijke betalingsverplichting.

Geïntimeerde had geen relevant tegenbewijs geleverd en het hof wees het bewijsaanbod van geïntimeerde af als irrelevant. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en wees de vordering van appellante alsnog toe, inclusief rente en buitengerechtelijke kosten. Geïntimeerde werd veroordeeld in de proceskosten van beide instanties.

Uitkomst: Het hof wijst de vordering van appellante toe en veroordeelt geïntimeerde tot betaling van het honorarium met rente en kosten.

Uitspraak

typ. JZ
rolnr. C9900623/BR
ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH,
eerste kamer, van 19 december 2000,
gewezen in de zaak van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijk-heid [APPELLANTE],
statutair gevestigd te [vestigingsplaats], kantoorhoudend te [woonplaats],
appellante,
procureur: mr J.H.M. Erkens,
- t e g e n -
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijk-heid [GEÏNTIMEERDE],
gevestigd en kantoorhoudend te [woonplaats], [gemeente],
geïntimeerde,
procureur: mr W.M.C. van der Eerden,
op het hoger beroep van appellante ([appellante]) tegen het vonnis van de rechtbank te Breda van 23 maart 1999, onder rolnr. 24301/HA ZA 95-1082 gewezen tussen [appellante] als eiseres en geïntimeerde ([geïntimeerde]) als gedaagde.
1. Het geding in eerste aanleg
In voormeld vonnis heeft de rechtbank de vordering van [appellante] afgewezen en haar in de proceskosten veroordeeld.
2. Het geding in hoger beroep
[appellante] heeft bij exploot van 22 juni 1999 tijdig hoger beroep ingesteld van voormeld vonnis.
Bij memorie van grieven heeft zij onder overlegging van producties vier grieven tegen het vonnis aangevoerd en geconcludeerd dat het hof het vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [appellante] zal toewijzen, althans de zaak zal terugwijzen naar de rechtbank voor bewijslevering aan de zijde van [geïntimeerde], met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.
[geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord de grieven bestreden en geconcludeerd tot verwerping van de grieven met veroordeling van [appellante] in de kosten van het hoger beroep.
Vervolgens is de zaak ter zitting van het hof van 17 oktober 2000 mondeling bepleit, waarbij voor [appellante] het woord gevoerd is door mr J.J. van der Horst en voor [geïntimeerde] door mr E.J. Henrichs. Bij die gelegenheid is van de zijde van [appellante] nog een tevoren aan het hof en aan de wederpartij toegezonden productie in het geding gebracht. Beide partijen hebben gepleit aan de hand van schriftelijke pleitnotities, die deel uitmaken van het dossier.
Tenslotte hebben partijen de stukken voor uitspraak aan het hof overgelegd.
3. De gronden van het hoger beroep
De grieven van [appellante] houden het volgende in.
Grief 1 luidt dat de rechtbank [appellante] ten onrechte niet in het bewijs geslaagd heeft geacht.
Grief 2 betreft de overweging dat de verklaring van de partijgetuige helemaal alleen staat.
Grief 3 luidt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de bewijslast (in de zin van bewijsrisico) op [appellante] rust en grief 4 luidt, dat de rechtbank de vordering ten onrechte heeft afgewezen.
4. De beoordeling
4.1. Het hof verwijst hier allereerst naar de door de rechtbank in het tussenvonnis van 11 juni 1996 in r.o. 3.1 en 3.6 vastgestelde feiten.
In haar tussenvonnis van 11 juni 1996 heeft de rechtbank overwogen dat doorgaans een overeenkomst van opdracht, zoals tussen [appellante] en [geïntimeerde] is gesloten, een betalingsverplichting voor de opdrachtgever meebrengt, maar dat zich hier een van het normale geval afwijkende casus voordoet waardoor de betalingsverplichting van [geïntimeerde] niet als vanzelfsprekend wordt beschouwd. De rechtbank is er op grond van door haar omschreven omstandigheden vanuit gegaan, dat [appellante] in beginsel geen aanspraak kan maken op een honorarium, en heeft haar te bewijzen opgedragen dat zij met [geïntimeerde] is overeenge-komen dat deze haar voor haar werkzaamheden zou betalen. Het hof heeft in door [appellante] op dit punt ingesteld appel bij arrest van 28 mei 1998 overwogen dat de rechtbank op grond van de omstandigheden van het geval op goede gronden heeft kunnen beslissen tot de aan [appellante] gegeven bewijsopdracht.
Vervolgens hebben bij de rechtbank getuigenverhoren plaatsgevonden. Aan de zijde van [appellante] zijn gehoord de heren [fiscaal adviseur], fiscaal adviseur van [appellante], [advocaat], voormalig advocaat van [appellante], en [directeur], directeur van [appellante]. [geïntimeerde] heeft afgezien van contra-enquête. Daarna heeft de rechtbank bij eindvonnis van 23 maart 1999, waarvan thans appel, overwogen dat het betoog van [appellante] dat de bewijslast bij [geïntimeerde] lag, maar dat [appellante] tegenbewijs heeft mogen leveren tegen door [geïntimeerde] voorshands bijgebracht bewijs - in welk tegenbewijs [appellante] naar zij stelt is geslaagd - faalt en dat [appellante] de bewijslast had. De rechtbank overweegt vervolgens dat [appellante] niet in dat bewijs is geslaagd, aangezien alleen de directeur van [appellante] getuigt van een tussen hem en directeur [directeur] van [geïntimeerde] getroffen honoreringsregeling, en wijst de vordering van [appellante] af.
4.2. Tegen dat oordeel richten zich de grieven van [appellante]. Zij betoogt opnieuw dat de bewijslast, in de zin van bewijsrisico, op [geïntimeerde] ligt; volgens haar is de rechtbank uitgegaan van een zgn. voorshandsconstructie, waarbij [appellante] is toegelaten tot het tegenbewijs tegen de stelling van [geïntimeerde] dat zij geen honorarium voor de werkzaamheden van [appellante] verschuldigd was. In dat tegenbe-wijs is [appellante] naar zij stelt, mede gelet op het feit dat art. 213 lid 1 Rv Pro dan niet geldt, geslaagd.
4.3. In de klacht dat het probandum te beperkt is geweest (memorie van grieven punt 4.11) kan [appellante] niet worden ontvangen, aangezien die klacht zich richt tegen het tussenvonnis van 11 juni 1996 dat bij arrest van dit hof van 28 mei 1998 is bekrachtigd.
4.4. Het hof overweegt dat de door de rechtbank aan [appellante] gegeven bewijsopdracht - die door het hof is bekrachtigd - moet worden beschouwd als een rechtstreekse bewijsopdracht aan [appellante]; de rechtbank heeft blijkens r.o. 3.7 van het tussenvonnis van 11 mei 1996 hier een bijzonder geval aanwezig geacht, waarin anders dan in normale gevallen van opdracht de opdrachtnemer diende te bewijzen dat hem voor zijn werkzaamheden een honorarium toekwam.
4.5. Het hof is, anders dan de rechtbank in het vonnis, waarvan beroep, van oordeel dat [appellante] in deze bewijsopdracht is geslaagd.
De bewijsopdracht hield blijkens de bewoordingen daarvan in, dat [appellante] aannemelijk moest maken dat de situatie zo was dat zij betaling voor haar werkzaamheden mocht vragen; de bewijsopdracht hield niet in, dat [appellante] diende te bewijzen dat er een een expliciete afspraak met een bepaalde inhoud omtrent betaling met hem was gemaakt.
De getuige [fiscaal adviseur] heeft immers verklaard, dat hij zich herinnert dat er geen enkele relatie bestond tussen de schadeloosstelling en enige te verrichten diensten voor [appellante]. De getuige [advocaat] heeft verklaard dat partijen uiteindelijk geen overeenstemming hebben bereikt over in de toekomst nog door [appellante] te verrichten werk dan wel over de honorering daarvan. De verklaring van [appellante] sluit aan op de beide voorgaande verklaringen en vormt aldus aanvullend bewijs daarop.
Op grond van deze verklaringen is komen vast te staan, dat zich hier niet de bijzondere situatie voordeed dat [appellante] geen betaling voor haar werkzaamheden mocht vragen, waarmee mede op grond van de brief van de brief van [geïntimeerde] van 28 november 1991 vast staat dat zich hier de gebruikelijke situatie voordeed, dat de opdracht-ne-mer betaling mag vragen voor haar werkzaamheden. Bijzondere afspraken op grond waarvan dat anders zou zijn - welk voorbehoud in de brief van 28 november 1991 is gemaakt - zijn niet komen vast te staan, zodat dit voorbehoud is gebleken inhoudsloos te zijn en de betalingsafspraken zoals in de brief van 28 november 1991 opgenomen, van toepassing zijn.
4.6. [geïntimeerde] heeft geen getuigen in contra-enquête doen horen. Bij pleidooi in hoger beroep heeft [geïntimeerde] alsnog een bewijsaanbod gedaan, waartegen [appellante] heeft geprotesteerd aangezien dat te laat zou zijn geschied.
Aan dat protest gaat het hof voorbij, nu bewijs in begin-sel in iedere stand van het geding kan worden aangeboden.
Aan het bewijsaanbod gaat het hof echter ook voorbij, nu hetgeen te bewijzen is aangeboden - nl. het verloop van de onderhandelingen omtrent het einde van het dienstver-band van [directeur appellante] - niet ziet op tegenbewijs tegen het door [appellante] ingevolge de bewijsopdracht bijgebrachte bewijs en mitsdien niet relevant is.
4.7. De grieven 1, 2 en 4 slagen; de derde grief van [appellante] faalt. Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven en zal worden vernietigd.
De vordering van [appellante] zal alsnog worden toegewezen. Het subsidiaire verweer van [geïntimeerde] daartegen is reeds bij vonnis van 11 mei 1996, bekrachtigd door het hof, afgewezen. De buitengerechtelijke kosten en de rente zullen eveneens als onweersproken worden toegewezen.
4.8. [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in beide instanties.
5. Uitspraak
Het gerechtshof:
Veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellante] te betalen een bedrag van f 10.230,70, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 20 november 1991 tot de dag der voldoening, alsmede een bedrag van f 1.348,07 wegens buitengerechtelijke incassokosten;
Veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep, voor zover tot op heden aan de zijde van [appellante] gevallen en begroot op f 2.555,-- voor salaris procureur en f 515,12 voor verschotten in eerste aanleg, en op f 3.600,-- voor salaris procureur en
f 685,15 voor verschotten in hoger beroep;
Verklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad.
Aldus gewezen door mrs Feith, De Groot-Van Dijken en Van Griensven en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 19 december 2000.