ECLI:NL:GHSHE:2000:AA9383
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Feith
- De Groot-Van Dijken
- Van Griensven
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over bewijsopdracht en honorarium bij overeenkomst van opdracht
In deze civiele zaak ging het om een geschil tussen twee besloten vennootschappen over de betaling van een honorarium op grond van een overeenkomst van opdracht. De rechtbank had de vordering van appellante afgewezen omdat zij niet in haar bewijsopdracht was geslaagd. Appellante stelde in hoger beroep dat zij wel degelijk aannemelijk had gemaakt dat zij betaling mocht vragen voor haar werkzaamheden.
Het hof overwoog dat de bewijsopdracht aan appellante inhield dat zij aannemelijk moest maken dat de situatie zodanig was dat zij betaling mocht vragen, en niet dat zij een expliciete afspraak over de betaling moest bewijzen. Op basis van getuigenverklaringen van onder meer een fiscaal adviseur, een voormalig advocaat en de directeur van appellante, stelde het hof vast dat er geen bijzondere omstandigheden waren die betaling uitsloten. De brief van geïntimeerde uit november 1991 bevestigde de gebruikelijke betalingsverplichting.
Geïntimeerde had geen relevant tegenbewijs geleverd en het hof wees het bewijsaanbod van geïntimeerde af als irrelevant. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en wees de vordering van appellante alsnog toe, inclusief rente en buitengerechtelijke kosten. Geïntimeerde werd veroordeeld in de proceskosten van beide instanties.
Uitkomst: Het hof wijst de vordering van appellante toe en veroordeelt geïntimeerde tot betaling van het honorarium met rente en kosten.