ECLI:NL:GHSHE:2000:AE9741

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
7 juni 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R200000293
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Koens
  • Lo-Sin-Sjoe
  • Dorn
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen beëindiging schuldsaneringsregeling en faillissementsverklaring

X. en Y. gingen in hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank dat de schuldsaneringsregeling beëindigde en hen failliet verklaarde. De rechtbank had op 9 mei 2000 deze beslissing genomen, nadat op 12 april 1999 de definitieve schuldsanering was uitgesproken.

In hoger beroep werd aangevoerd dat X. en Y. zwakbegaafd zijn en hun financiële belangen niet goed kunnen behartigen. Hun advocaat stelde dat een faillissement geen oplossing bood en dat zij bereid waren de verplichtingen uit de schuldsanering na te komen.

Tijdens de zitting bleek dat de broer van X., die sinds 1984 als bewindvoerder fungeerde, zijn taken had overgedragen aan een bewindvoerderskantoor dat nu de belangen van beiden behartigt. Tevens was een verzoek tot ondercuratelestelling voorbereid, ondersteund door een psychiatrisch rapport en verklaringen van X. en Y. zelf.

Gezien deze omstandigheden oordeelde het hof dat de voortzetting van de schuldsanering met de nodige waarborgen mogelijk is totdat op het verzoek tot ondercuratelestelling is beslist. Daarom vernietigde het hof het vonnis van de rechtbank en liet de schuldsaneringsregeling doorlopen.

Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en laat de schuldsaneringsregeling van X. en Y. doorlopen in afwachting van het verzoek tot ondercuratelestelling.

Uitspraak

Gerechtshof te 's-Hertogenbosch,
Rekestenkamer
Arrest d.d. 7 juni 2000
in de zaak van:
1. X. appellant sub 1, hierna te noemen X.,
2. Y. appellante sub 2, hierna te noemen Y.,
beiden wonende te P.,
procureur mr A.A.H.M. van Hout,
op het hoger beroep tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 9 mei 2000, waarbij de toepassing van de schuldsanering is beëindigd en X. en Y. in staat van faillissement zijn verklaard.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar voormeld vonnis van de rechtbank, die bij partijen bekend is.
Het geding in hoger beroep
2.1. Hij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 16 mei 2000, hebben X. en Y. verzocht voormeld vonnis en de daarbij behorende beëindiging van de schuldsaneringsregeling te vernietigen.
2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 31 mei 2000. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
X. en Y. bijgestaan door hun advocaat,
de heer Z., broer van X.
2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van:
de producties, overgelegd bij het beroepschrift,
een brief met bijlagen van de procureur van X. en Y. van 29 mei 2000,
een schrijven d.d. 26 mei 2000 van A.
3. De gronden van het hoger beroep
X. en Y. stellen zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte de toepassing van de schuldsanering heeft beëindigd.
4. De beoordeling
4.1. Hij vonnis van de rechtbank van 12 april 1999 is de definitieve schuldsanering ten aanzien X. en Y. uitgesproken.
4.2. Rij vonnis van 9 mei 2000 heeft de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van X. en Y. beëindigd en hen in staat van faillissement verklaard. Tegen die beslissing zijn zij in hoger beroep gekomen.
4.3. In hoger beroep stelt de advocaat van X. en Y. dat zij zelf niet in staat zijn hun vermogensgerechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. X. en Y. zijn zwakbegaafd en kunnen hun uitgavenpatroon niet in de hand houden. In de visie van de advocaat lost een faillissement niets op. Voorts wordt door de advocaat nog aangevoerd dat X. en Y. te kennen hebben gegeven dat zij de uit schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zullen nakomen.
4.4. Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat zich de volgende ontwikkelingen hebben voorgedaan:
4.4.1. De broer van X. die sedert 5 oktober 1984 in het kader van een onderbewindstelling ter bescherming van meerderjarigen als zijn bewindvoerder optreedt, heeft op 10 mei 2000 zijn taken overgedragen aan bewindvoerderskantoor Kroezen te Vorten-Mullum. Dit kantoor behartigt thans de vermogensrechtelijke belangen van zowel X. als Y. Aan X. en Y. wordt wekelijks een bedrag beschikbaar gesteld voor hun levensonderhoud en voorts tracht het kantoor een regeling te treffen met verschillende schuldeisers.
4.4.2. Voorts is gebleken dat aan een aantal formaliteiten is voldaan om een verzoek tot ondercuratelestelling van X. en Y. in te dienen bij de rechtbank.
Er is inmiddels een psychiatrisch rapport gereed dat is opgemaakt door de heer C. Kooijman van het GGzE, de behandelend sociaal psychiatrisch verpleegkundige van X. . Zowel X. als Y. hebben inmiddels een verklaring ondertekend waarbij zij akkoord gaan met een verzoek tot ondercuratelestelling.
Voorts mag verondersteld worden dat een ondercuratelestelling ook door de bewindvoerster in het kader van de WSNP, mw E. van Trier, wordt ondersteund. Blijkens de overgelegde verslagen van de bewindvoerster valt immers op te maken dat reeds in een eerder stadium de rechter-commissaris toestemming is verzocht een verzoek tot ondercuratelestelling van X. en Y. in te dienen bij de rechtbank.
Het verzoek tot ondercuratelestelling zal dan ook op korte termijn worden ingediend.
X. en Y. hebben ter zitting verklaard zich te zullen houden aan de aanwijzingen die hen in het kader van de schuldsaneringsregeling zullen worden gegeven.
4.5. Gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden is het hof van oordeel dat toepassing van de schuldsaneringsregeling van X. en Y., in ieder geval voor de periode dat nog niet beslist is op het in te dienen verzoek tot ondercuratelestelling, voldoende met de nodige waarborgen is omkleed. Dat betekent dat het vonnis, waarvan beroep, moet worden vernietigd, met als gevolg dat schuldsaneringsregeling van X. en Y. alsnog doorloopt
5. De beslissing
Het hof:
Vernietigt het vonnis, waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs Koens, Lo-Sin-Sjoe en Dorn, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 7 juni 2000, in tegenwoordigheid van de griffier.