ECLI:NL:GHSHE:2001:AB2725
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.A. Meijer
- G.J. van Muijen
- B.E. Teunissen
- Rechtspraak.nl
Belastingrechtelijke beoordeling uitgesteld salaris en rentedragendheid volgens artikel 33 Wet IB 1964
Belanghebbende, directeur en enig aandeelhouder van een besloten vennootschap, had in 1993 een bedrag van fl. 75.000 aan uitgesteld salaris niet als belastbaar inkomen opgegeven. De Inspecteur rekende dit bedrag echter wel tot het belastbaar inkomen, stellende dat het bedrag rentedragend was in de zin van artikel 33 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
Belanghebbende voerde primair aan dat toepassing van het gelijkheidsbeginsel tot vernietiging van de aanslag moest leiden, subsidiair dat het bedrag niet in 1993 was genoten, en meer subsidiair dat slechts de contante waarde was genoten. Het Hof stelde vast dat de situatie van belanghebbende niet feitelijk gelijk was aan andere gevallen die door de Inspecteur werden geaccepteerd, mede vanwege een specifieke bepaling dat het uitgestelde salaris vervalt bij voortijdig overlijden.
Het Hof oordeelde dat het uitgestelde salaris met enkelvoudige rente wel degelijk rentedragend was in de zin van artikel 33 Wet Pro IB, ook zonder samengestelde rente. Bovendien had belanghebbende beschikkingshandelingen verricht met betrekking tot het uitgestelde salaris. Het Hof vernietigde de bestreden uitspraak, verminderde de aanslag tot een belastbaar inkomen van fl. 172.765 en veroordeelde de Inspecteur tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht.
Uitkomst: Het uitgestelde salaris van fl. 75.000 is terecht als rentedragend inkomen belast, met vermindering van de aanslag tot een belastbaar inkomen van fl. 172.765.