1. In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op aftrek van verhuiskosten op de voet van artikel 36, tweede lid, onderdeel d, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1997). Meer in het bijzonder is in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende in verband met haar dienstbetrekking is verhuisd.
2. Vaststaat dat belanghebbende sinds de maand maart 1996 werkzaam is bij A in B (vlak bij het station) en dat zij juli 1997 is verhuisd van C naar D, gemeente Y. Vaststaat voorts dat de enkele reisafstand van haar woning in C naar het kantoor in B waar zij werkzaam is ongeveer 116 km bedraagt, zowel per trein als per auto, en dat die afstand vanaf haar woning in D per trein ongeveer 81 km bedraagt en per auto ongeveer 86 km. Daarnaast staat vast dat belanghebbende en haar echtgenoot vóór de verhuizing naar D geen persoonlijke binding hadden met deze plaats of de regio Y.
3. Partijen verschillen van mening over de exacte reistijden voor en na de verhuizing en over de tijdwinst die belanghebbende door de verhuizing heeft geboekt. Vaststaat wel dat de totale reistijd vóór de verhuizing ten minste 3 uur en 36 minuten per dag bedroeg en dat die reistijd direct na de verhuizing niet meer dan 2 uur en 30 minuten bedroeg. De Inspecteur noemt in zijn vertoogschrift weliswaar een reistijd na de verhuizing van 2 uur en 40 minuten, maar hij gaat hierbij uit van een treinreis van 55 minuten enkele reis tussen station B en station Y, terwijl belanghebbende onbetwist heeft gesteld dat die treinreis aanvankelijk (enkele reis) 50 minuten duurde en pas na 1997 5 minuten langer in beslag nam doordat een tussenstop bij station E is ingevoegd. Het Hof gaat er daarom vanuit dat de tijdwinst die door de verhuizing is ontstaan ten minste 1 uur en 6 minuten per dag bedroeg.
4. Belanghebbende heeft voorts gesteld dat de tijdwinst in de praktijk groter is doordat zij voor de verhuizing tijdens haar reis moest overstappen op station C en zij door vertragingen regelmatig de aansluiting miste, terwijl zij na haar verhuizing vanuit Y een rechtstreekse treinverbinding met station B heeft. Daardoor is het risico van (grote) vertraging aanmerkelijk kleiner geworden, zo stelt belanghebbende. De Inspecteur heeft deze stelling niet bestreden en het Hof is ook niet gebleken van de onjuistheid ervan, zodat het Hof van de juistheid van die stelling uitgaat.
5. Tenslotte heeft belanghebbende nog gesteld dat het reizen vanuit haar voormalige woonplaats niet langer op te brengen was door de lange reistijd en de vertragingen die regelmatig optraden. Het Hof acht deze stelling, die door belanghebbende uitvoerig is toegelicht ter zitting en in de door haar ingediende stukken, aannemelijk en gaat van de juistheid ervan uit.
6. Gelet op hetgeen hiervoor in de onderdelen 2 tot en met 5 is overwogen acht het Hof aannemelijk dat de vervulling van haar dienstbetrekking belanghebbende tot de onderhavige verhuizing heeft genoopt. Hieraan doet niet af de door de Inspecteur gestelde omstandigheid dat de in het kader van de Wet WOZ vastgestelde waarde van de voormalige woning van belanghebbende aanzienlijk lager is dan die van haar huidige woning.
7. Het gelijk is aan de zijde van belanghebbende. Voor dat geval is niet in geschil dat de aanslag moet worden verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 36.366,--.