ECLI:NL:GHSHE:2002:AE6309
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling waarde onroerend goed en winstuitdeling bij verkoop tussen BV en directeur-grootaandeelhouder
De belanghebbende, directeur-grootaandeelhouder van een BV, kocht in 1996 een pand van zijn BV tegen een lagere prijs dan de door de Belastingdienst vastgestelde economische waarde. De Inspecteur stelde de waarde op 90% van de vrije waarde van het pand, wat leidde tot discussie over de juiste waardering en de vraag of sprake was van een winstuitdeling.
De belanghebbende baseerde zijn lagere waardering op een taxatierapport uit 1993, vermeerderd met een schatting, maar het hof wees deze methode af vanwege gebrek aan actualiteit en deskundigheid. De Inspecteur bracht een taxatierapport van 1998 in dat de waarde op 200.000 gulden stelde, waaruit 90% werd genomen vanwege verhuurde staat.
Het hof concludeerde dat de koopsom niet zakelijk was vastgesteld en dat er sprake was van een aanmerkelijk voordeel, oftewel een winstuitdeling. De belanghebbende en de BV waren zich hiervan bewust. Het beroep werd ongegrond verklaard en de belanghebbende werd niet in het gelijk gesteld.
Proceskosten werden niet toegewezen aan de belanghebbende omdat geen bijzondere omstandigheden waren gesteld. De uitspraak werd mondeling gedaan en bevestigd op 5 juni 2002.
Uitkomst: Het hof bevestigt de waarde van het pand op 180.000 gulden en oordeelt dat er sprake is van een winstuitdeling, waardoor het beroep van de belanghebbende ongegrond is.