ECLI:NL:GHSHE:2002:AE6784

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
26 juli 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
98/05203
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 42a Wet IB 1964Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging aanslag inkomstenbelasting 1997 voor woningaanhorigheden

De belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1997, waarbij hij betwist dat de schuren, loodsen en het erf rondom zijn woning als aanhorigheden in de zin van artikel 42a, tweede lid Wet IB 1964 moeten worden beschouwd.

Hij stelt dat hij door fiscale en milieuwetten zijn bedrijf heeft moeten staken en de schuren en loodsen buiten gebruik zijn gesteld. Tevens voert hij aan dat hij deze niet kan verwijderen vanwege financiële beperkingen en dat het niet redelijk is dat hij hierover belasting moet betalen.

Het hof oordeelt dat het niet relevant is dat de schuren en loodsen in het verleden bedrijfsmatig zijn gebruikt, maar dat het van belang is of zij behoren bij de woning, in gebruik zijn en daaraan dienstbaar zijn. De belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit niet het geval is. Ook het beroep op onbehoorlijk bestuur en het gelijkheidsbeginsel wordt verworpen omdat onvoldoende bewijs is geleverd en er geen sprake is van nadelige afwijking van beleid.

Het hof bevestigt daarom de bestreden uitspraak en wijst het beroep af. Er worden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het hof bevestigt de aanslag inkomstenbelasting 1997 waarbij de schuren, loodsen en het erf als aanhorigheden bij de woning worden aangemerkt.

Uitspraak

BELASTINGKAMER
Nr. 98/05203
HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH
PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK
Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tiende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer C. te L (hierna: de belanghebbende) tegen de door het hoofd van de eenheid Particulieren/Ondernemingen Breda van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) gedane uitspraak van 21 oktober 1998 op het bezwaarschrift betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1997.
De mondelinge behandeling
De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 12 juli 2002 te Bergen op Zoom. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens de Inspecteur, de heer J, verbonden aan de vorengenoemde eenheid van de rijksbelastingdienst.
De belanghebbende is niet verschenen.
Na de behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 26 juli 2002, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.
De beslissing
Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.
De gronden voor de beslissing
1. In geschil is het antwoord op de vraag of de schuren, loodsen en het erf rondom de eigen woning van belanghebbende in het jaar 1997 kunnen worden aangemerkt als aanhorigheden in de zin van artikel 42a, tweede lid Wet op de inkomstenbelasting (hierna: de Wet IB 1964).
2. De belanghebbende stelt in zijn beroepschrift dat hij door fiscale wetten en milieuwetten zijn bedrijf heeft moeten staken en hij dientengevolge de schuren, loodsen en het erf buiten werking heeft moeten opstellen. Verder stelt de belanghebbende dat door milieuwetten en bouwkundige wetten hij niet in staat is de schuren en loodsen etc. weg te doen omdat hij dat niet kan betalen. Overigens stelt hij dat het niet de bedoeling van de wet kan zijn dat hij over deze bouwvallen en braakliggende erven en gronden belasting moet betalen in de vorm van bijtelling huurwaarde woning.
3. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een aanhorigheid is het Hof van oordeel dat gelet op BNB 1993/281 het niet van belang is dat de schuren, loodsen en het erf in het verleden bedrijfsmatig zijn gebruikt. Wel is blijkens hetzelfde arrest van belang of de schuren, loodsen en het erf behoren bij de woning, daarbij in gebruik zijn, en daaraan dienstbaar zijn.
4. Het Hof is van oordeel dat de belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de schuren, loodsen en het erf niet in gebruik zijn bij de woning en daaraan niet dienstbaar zijn. De belang-hebbende heeft daarmede niet aannemelijk gemaakt, dat de objectafbakening voor de Wet IB 1964 anders zou moeten geschieden dan voor de Wet waardering onroerende zaken is gebeurd. Gelet op het vorenstaande dienen de schuren, de loodsen en het erf aangemerkt te worden als aanhorigheid in zin van artikel 42a, tweede lid Wet IB 1964.
5. Verder stelt de belanghebbende dat sprake is van onbehoorlijk bestuur ten aanzien van een, zo stelt de belanghebbende, door hem diverse malen gedaan, doch niet gehonoreerd, verzoek om opgaaf van redenen aan de inspectie Breda omtrent een zaak waarin werd ingestemd met de stelling dat alleen het huurwaardeforfait diende te worden aangegeven over de waarde van de woning en niet over de aanhorigheden.
6. Daargelaten of onbehoorlijk bestuur van de kant van de Inspecteur kan leiden tot gegrondverklaring van het beroep van de belang-hebbende, is het Hof van oordeel dat de belanghebbende niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van onbehoorlijk bestuur van de kant van de Inspecteur. Het Hof acht dit met name niet aannemelijk omdat uit de overgelegde correspondentie niet blijkt dat de belanghebbende dit verzoek tevergeefs diverse malen heeft gericht aan de Inspecteur.
7. De belanghebbende noemt slechts één geval waarin het huurwaarde-forfait is berekend over de waarde van de woning exclusief de aanhorigheden. Gelet op BNB 1999/166 kan belanghebbendes beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel derhalve niet slagen. Nu ook niet is gesteld dat het oogmerk van begunstiging in dat andere geval een rol heeft gespeeld, en evenmin dat er sprake was van een beleid waarvan ten nadele van belanghebbende is afgeweken, kan het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slagen.
8. Uit het vorenoverwogene volgt dat het gelijk aan de zijde van de Inspecteur is. Voor dit geval is niet in geschil, dat de bestreden uitspraak moet worden bevestigd.
De proceskosten
Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.
Aldus vastgesteld op 26 juli 2002 door P. Fortuin, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van A.R. Veldt, waarnemend-griffier, en op die datum in het openbaar uitgesproken.
Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden
op: 31 juli 2002
Het aanwenden van een rechtsmiddel:
U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak dit gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).
Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht voor belanghebbende € 68,07.
Het bestuursorgaan is voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak een griffierecht van € 68,07 verschuldigd.
De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.
Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.