ECLI:NL:GHSHE:2002:AE7286
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering aanslag successierecht na waardering fictieve verkrijging en vruchtgebruik
Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch behandelde het beroep van twee erfgenamen tegen de aanslagen successierecht opgelegd over de nalatenschap van hun moeder, overleden in 1996. De kern van het geschil betrof de waardering van de fictieve verkrijgingen op grond van artikel 10 van Pro de Successiewet 1956 en de waardering van het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot.
De erfgenamen stelden dat de waarde van het vruchtgebruik moest worden bepaald op het tijdstip van overlijden van de moeder, terwijl de Inspecteur de waarde wilde bepalen op het moment van de eigendomsoverdracht in 1978. Tevens was in geschil of de verkoop van een gedeelte van de percelen aan de gemeente moest worden betrokken bij de fictieve verkrijging.
Het Hof oordeelde dat de verkoop aan de gemeente niet onder het vruchtgebruik viel en dus niet bij de fictieve verkrijging mocht worden betrokken. Voorts volgde het Hof de Inspecteur in de waardering van het vruchtgebruik op het tijdstip van de overdracht en niet op het overlijdensmoment, gelet op de toepasselijke resolutie van de Staatssecretaris. Hierdoor werden de aanslagen verminderd tot lagere verkrijgingen voor beide erfgenamen. Daarnaast werd de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten en werd het betaalde griffierecht aan de belanghebbenden vergoed.
Uitkomst: Het Hof vernietigt de bestreden uitspraak en vermindert de aanslagen successierecht voor beide erfgenamen op basis van juiste waardering van fictieve verkrijgingen en vruchtgebruik.