ECLI:NL:GHSHE:2002:AE8357
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling waardering fictieve verkrijging bij successierecht en toepassing resolutie
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de waardering van een fictieve verkrijging in het kader van het successierecht centraal. Belanghebbende betwist dat het gebruiksrecht van haar moeder moet worden gewaardeerd op de datum van de akte in 1991, en stelt dat de waarde op het moment van overlijden van erflater in 1996 moet worden genomen. De Inspecteur stelt dat de waarde volgens de resolutie van 1964 op de datum van de akte moet worden vastgesteld.
Het hof overweegt dat de wet uitgaat van waardering op het moment van overlijden, maar dat de resolutie om billijkheidsoverwegingen toestaat de waarde op de datum van de rechtshandeling te nemen. Dit voorkomt dat waardestijgingen tussen akte en overlijden worden belast. Het hof volgt de Inspecteur in deze uitleg en oordeelt dat de resolutie ook geldt voor de waardering van het in mindering te brengen vruchtgebruik.
Als gevolg hiervan vernietigt het hof de bestreden uitspraak en vermindert de aanslag tot een verkrijging van fl. 118.889,- met een aftrek van overdrachtsbelasting van fl. 1.323,-. Tevens wordt de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. De uitspraak is op 17 september 2002 door het hof te 's-Hertogenbosch gewezen.
Uitkomst: Het hof vernietigt de bestreden uitspraak en vermindert de aanslag met toepassing van de resolutie, waarbij de waarde van het gebruiksrecht wordt vastgesteld op de datum van de akte.