ECLI:NL:GHSHE:2002:AF4967

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
5 maart 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
20.000191.01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Mr. Bergkotte
  • Mrs. Huurman-van Asten
  • Wortmann
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 SrArt. 27 SrArt. 47 SrArt. 63 SrArt. 282a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen gijzeling met geweld en vrijheidsberoving

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot dertig maanden gevangenisstraf wegens medeplegen van gijzeling. In hoger beroep heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch het vonnis vernietigd voor wat betreft de straf en heeft een zwaardere straf opgelegd van vijf jaar gevangenisstraf.

Het hof oordeelde dat verdachte samen met mededaders het slachtoffer wederrechtelijk van zijn vrijheid had beroofd met het oogmerk om een ander te dwingen een geldbedrag te betalen. De gijzeling vond plaats op een wrede wijze: het slachtoffer werd vastgebonden, met tape om de handen, een zak of jas over het hoofd, tegen het hoofd getrapt, met een scherp voorwerp gestoken, en met elektrische draad om de hals vastgebonden in een loods.

Bij de strafoplegging hield het hof rekening met de ernst van het feit, het persoonlijke leed van het slachtoffer, het gewelddadige karakter van het delict en de maatschappelijke verontrusting die het veroorzaakte. De tijd die verdachte in voorlopige hechtenis had doorgebracht werd in mindering gebracht op de opgelegde straf.

Het arrest werd uitgesproken op 5 maart 2002 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch, waarbij het hof het vonnis van de rechtbank bevestigde voor het overige, maar de straf wijzigde naar vijf jaar gevangenisstraf.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf voor medeplegen van gijzeling met geweld.

Uitspraak

parketnummer : 20.000191.01
uitspraakdatum : 5 maart 2002
tegenspraak;
GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH
meervoudige kamer voor strafzaken
A R R E S T
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 27 december 2000 in de strafzaak onder parketnummer 01/039048-00 tegen:
[verdachte],
geboren te [plaats] (Turkije), op [...] 1966,
thans preventief gedetineerd in het Huis van Bewaring De Boschpoort te Breda.
Het hoger beroep
De verdachte heeft tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de opgelegde straf en de strafmotivering, en met dien verstande, dat aan de door de eerste rechter gebezigde bewijsmiddelen wordt toegevoegd een proces-verbaal van de verbalisanten M.F. van Alebeek en L.H.M. Wigman, beiden brigadier van de Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, in de wettelijke vorm opgemaakt,
voor zover dit proces-verbaal -zakelijk weergegeven- inhoudt als verklaring van [slachtoffer], op 6 september 2000 afgelegd tegenover voornoemde verbalisanten:
Toen ik geboeid in de loods lag heb ik gevraagd of ik mocht bellen. Ik moest immers aan dat geld zien te komen. Ik mocht bellen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Ik heb toen mijn vriendin [naam] gebeld. Ik zei tegen haar, dat ik geld moest hebben.
De tenlastelegging
Het hof neemt hier uit het beroepen vonnis de weergave van de tenlastelegging over.
In deze weergave van de tenlastelegging zijn de door de eerste rechter aangebrachte wijzigingen en verbeteringen begrepen.
Het hof overweegt dat in de feitelijke uitwerking van de delictsomschrijving in het primair ten laste gelegde staat vermeld "en/of die [slachtoffer] gezegd dat hij moest zorgen dat er f. 150.000,-- zou worden betaald". Het hof verstaat, gelet op de bewoordingen waarin het kwalificatieve gedeelte van het primair ten laste gelegde is gesteld, zomede het feit dat die [slachtoffer] zelve werd gegijzeld, deze bewoordingen aldus, dat die tot uitdrukking moeten brengen dat anderen dit geld zouden moeten afgeven.
De redengeving van de op te leggen straf of maatregel
De rechtbank heeft de verdachte terzake van "Medeplegen van gijzeling" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van dertig maanden, met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte, eveneens voor voormeld feit, wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van dertig maanden , met aftrek van voorarrest.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen hoofdstraf bepaald op grond van de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Het hof heeft daarbij het volgende in beschouwing genomen.
Verdachte heeft tezamen en in vereniging met zijn mededaders [slachtoffer] wederrechtelijk van zijn vrijheid beroofd en beroofd gehouden met het oogmerk om een ander of anderen te dwingen een geldbedrag te betalen. Deze wederrechtelijke vrijheidsberoving heeft voorts op een wrede manier plaatsgevonden; de handen van die [slachtoffer] werden vastgetaped en vastgebonden, er werd een zak of een jas over het hoofd gedaan, hij werd tegen het hoofd getrapt en met een scherp voorwerp gestoken, in een loods werd om zijn hals een stuk electriciteitsdraad gedaan en werden zijn voeten vastgebonden aan een rooster.
Gelet op voormelde omstandigheden kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een straf als door de advocaat-generaal gevorderd. Het hof acht een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren passend en geboden. Daarbij is rekening gehouden met:
A. voormelde grote ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;
B. de mate waarin het bewezen verklaarde persoonlijk leed teweeg heeft gebracht voor het slachtoffer;
C. het gewelddadig karakter van het bewezen verklaarde en de maatschappelijke verontrusting die daarvan het gevolg is;
De toegepaste wettelijke voorschriften
De strafoplegging is gegrond op de artikelen: 10, 27, 47, 63 en 282A van het Wetboek van Strafrecht.
B E S L I S S I N G :
Het hof:
Vernietigt het beroepen vonnis, doch alleen voor zover dit betreft de aan de verdachte opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van vijf jaren.
Beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf daarop geheel in mindering zal worden gebracht.
Bevestigt het beroepen vonnis voor al het overige.
Dit arrest is gewezen door Mr. Bergkotte, als voorzitter
Mrs. Huurman-van Asten en Wortmann, als raadsheren
in tegenwoordigheid van Dhr. Van Baast, als griffier.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 5 maart 2002.
U I T D R A A I G E G E V E N S 1e A A N L E G
zaaknr.: 01
tijd : 10.30
rolnummer: 20.000191.01
verdachte:
[verdachte],
geboren te [plaats] (Turkije), op [...] 1966,
wonende te , ,
thans preventief gedetineerd in het Huis van Bewaring De Boschpoort te Breda
Is bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 27 december 2000 ter zake van:
"Medeplegen van gijzeling"
veroordeeld tot:
dertig maanden gevangenisstraf, met aftrek van de tijd in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht,
vrijspraak van hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan bewezen is verklaard,