ECLI:NL:GHSHE:2002:AQ7917
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Bod
- Kranenburg
- Smeenk-Van der Weijden
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over aannemingsovereenkomst en cessie bij verbouwingswerkzaamheden
In deze zaak staat een geschil centraal over de betaling van facturen voor verbouwingswerkzaamheden uitgevoerd door een bouwbedrijf in opdracht van appellant. Het bouwbedrijf is failliet verklaard en de vordering is overgenomen door BVR, die betaling vordert van appellant. Appellant voert verjaring aan en betwist de rechtsgeldigheid van de cessie en de inhoud van de aannemingsovereenkomst.
De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat de cessie rechtsgeldig is en de vordering niet verjaard, maar appellant stelt in hoger beroep dat de procedure door royement is geëindigd en dat de cessie niet correct is. Het hof stelt vast dat het royement geen rechtsgevolg heeft en dat de verjaring is gestuit door de dagvaarding en de mededeling van cessie.
Het hof sluit zich aan bij de eerdere overwegingen dat voorshands bewezen moet worden geacht dat tussen het bouwbedrijf en appellant een aannemingsovereenkomst op regiebasis is gesloten, waarbij BVR de bewijslast draagt. Appellant wordt toegelaten tot tegenbewijs dat er een vaste aanneemsom is overeengekomen. Het hof wijst op de noodzaak van getuigenverhoor en stelt een raadsheer-commissaris aan voor de bewijslevering. De zaak wordt verwezen naar een rolzitting voor verdere procesafspraken en verdere beslissing wordt aangehouden.
Uitkomst: Het hof houdt verdere beslissing aan en staat bewijslevering toe over cessie en aannemingsovereenkomst.