ECLI:NL:GHSHE:2003:AF5302
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep kort geding
- Van Etten
- Den Hartog Jager
- Van Soest-van Dijkhuizen
- Rechtspraak.nl
Schorsing concurrentiebeding in kort geding bij functiewijziging en belangenafweging
Appellant was van december 1995 tot augustus 2002 werkzaam bij geïntimeerde, met een concurrentiebeding in zijn arbeidsovereenkomst dat hem beperkte om na het dienstverband soortgelijke werkzaamheden te verrichten. In 2000 vond een functiewijziging plaats van projectleider naar adviseur, met een salarisverhoging en andere arbeidsvoorwaarden. Appellant vorderde in kort geding de vernietiging of schorsing van het concurrentiebeding, stellende dat het beding onbillijk werd door de functiewijziging en dat hij daardoor werd beperkt in zijn beroepsmogelijkheden.
De kantonrechter wees de vorderingen af, maar het hof oordeelde dat een declaratoire vernietiging in kort geding niet mogelijk is. Het hof concludeerde dat onvoldoende bewijs was dat het concurrentiebeding per 1 januari 2000 haar werking had verloren, mede omdat de functiewijziging onvoldoende ingrijpend was. Wel achtte het hof het redelijk dat appellant zijn werkzaamheden bij de nieuwe werkgever mocht voortzetten, gelet op het tijdsverloop en de houding van partijen.
Het hof schorst het concurrentiebeding totdat in een bodemprocedure onherroepelijk uitspraak wordt gedaan over het verzoek ex artikel 7:653 lid 2 BW Pro. De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt. De vordering tot vergoeding van schade en verbeurde boetes blijft voor de bodemrechter.
Deze uitspraak benadrukt de terughoudendheid van kort geding bij het beoordelen van complexe arbeidsrechtelijke geschillen en bevestigt het belang van een belangenafweging in de context van concurrentiebedingen.
Uitkomst: Het concurrentiebeding wordt geschorst totdat in een bodemprocedure definitief uitspraak is gedaan.