ECLI:NL:GHSHE:2003:AH8937
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Belastingrechtelijke kwalificatie van vergoeding immateriële schade bij beëindiging dienstbetrekking
Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde het beroep van een werknemer tegen de aanslag inkomstenbelasting over 1997, waarin een vergoeding voor immateriële schade bij beëindiging van de dienstbetrekking centraal stond.
De Kantonrechter had vastgesteld dat de arbeidsovereenkomst ontbonden werd wegens verstoorde verhoudingen, zonder schuld van de werknemer, en dat de vergoeding mede verband hield met een krenking van de persoon van de werknemer. De Inspecteur betwistte de feiten niet.
Het hof oordeelde dat een vergoeding die ziet op psychisch leed door onvrijwillige beëindiging tot loon behoort, maar dat een vergoeding wegens aantasting van eer en goede naam onvoldoende verband houdt met de dienstbetrekking om als loon te gelden.
Gezien de omstandigheden concludeerde het hof dat de vergoeding van ƒ 40.000,-- was toegekend wegens aantasting van eer en goede naam, en dus niet als loon belastbaar was. De aanslag werd verminderd en de Inspecteur werd veroordeeld in griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: De aanslag inkomstenbelasting werd verminderd omdat de vergoeding wegens aantasting van eer en goede naam niet als loon werd aangemerkt.