ECLI:NL:GHSHE:2003:AN9039
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Van Etten
- Drijkoningen
- Den Hartog Jager
- Rechtspraak.nl
Beoordeling inbrengverplichting kwijtschelding lening in nalatenschap volgens oud BW
In deze civiele zaak gaat het om de vraag of de kwijtschelding van een bedrag van f. 16.000,- door de ouders van appellant aan hem, vastgelegd in een notariële akte uit 1979, moet worden aangemerkt als een schenking die in de nalatenschap moet worden ingebracht. De rechtbank had de vordering van geïntimeerden tot inbreng toegewezen. Appellant stelt dat er geen sprake is van een schenking omdat hij een tegenprestatie leverde door het niet mogen verkopen van de woning zolang de ouders het buurpand bewoonden.
Het hof stelt vast dat het oude recht van toepassing is, met name artikel 4:1132 BW Pro (oud). Het beroep van appellant op verjaring faalt omdat hij niet duidelijk heeft aangegeven op welke verjaring hij zich beroept en de toepasselijke termijn twintig jaar bedraagt. Ook het beroep op rechtsverwerking wordt verworpen omdat enkel stilzitten niet leidt tot rechtsverwerking.
Het hof overweegt dat de notariële akte door een notaris is opgesteld en dat de kwijtschelding in juridische zin een schenking inhoudt. De door appellant aangevoerde tegenprestatie staat niet tegenover de kwijtschelding. Wel erkent het hof dat de betekenis van een beding in een overeenkomst moet worden vastgesteld aan de hand van verklaringen en gedragingen van partijen. Daarom staat het appellant toe bewijs te leveren dat de kwijtschelding niet als schenking moet worden gezien.
De zaak wordt aangehouden voor het bewijs door getuigen, die zullen worden gehoord onder leiding van een raadsheer-commissaris. De verdere beslissing wordt aangehouden totdat dit bewijs is geleverd.
Uitkomst: Het hof staat appellant toe bewijs te leveren dat de kwijtschelding niet als schenking moet worden aangemerkt en wijst het beroep op verjaring af.