ECLI:NL:GHSHE:2003:AN9440
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Eerste aanleg - meervoudig
- P.J.M. Bongaarts
- J.W. van der Voort
- D.M. Weber
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de woonplaatsfictie in de Successiewet in het licht van Europees recht
Het geschil betreft de vraag of het Europese recht de woonplaatsfictie van artikel 3, eerste lid, van de Successiewet 1956 buiten werking stelt. Belanghebbenden, erfgenamen van mevrouw A, die na emigratie naar Zwitserland en overlijden in België, geconfronteerd werden met Nederlandse successierechten, stellen dat deze fictie in strijd is met het vrije kapitaalverkeer binnen de EU. De Inspecteur handhaaft de aanslagen.
De nalatenschap omvatte onroerende zaken en effecten in meerdere landen. De woonplaatsfictie leidt ertoe dat Nederland successierecht heft alsof de overledene binnen Nederland woonde, wat volgens belanghebbenden een belemmering vormt van het kapitaalverkeer en een discriminatie op grond van nationaliteit inhoudt.
Het Hof overweegt dat artikel 56 van Pro het EG-verdrag beperkingen van kapitaalverkeer tussen lidstaten en derde landen verbiedt, maar dat uitzonderingen mogelijk zijn. Het Hof acht de fictie een vertrekbelemmering en een verkapte discriminatie, wat strijdig kan zijn met het Europese recht. Vanwege onduidelijkheid wordt een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen gesteld.
Daarnaast wordt de vraag opgeworpen of het Europese recht zich verzet tegen de Nederlandse beperking van proceskostenvergoeding in zaken waarin bescherming van gemeenschapsrecht wordt gezocht. Het geding wordt geschorst in afwachting van de prejudiciële uitspraak.
Uitkomst: Het Gerechtshof schorst de procedure en legt prejudiciële vragen voor aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen over de woonplaatsfictie en proceskostenvergoeding.