4.8. Het hof zal in het kader van deze voorlopige voorziening bij de beoordeling van de vraag of de kantonrechter terecht heeft geoordeeld dat er sprake was van "overmacht" in de zin van art. 611 d Rv op grond waarvan is beslist de dwangsombepaling op te heffen, in het midden laten of Philips ingevolge het vonnis van 30 mei 2002 dwangsommen verschuldigd is geworden.
In deze procedure staat vast dat Philips een gemotiveerd en gedocumenteerd verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft ingediend op 7 juni 2002, waartoe ook de 40 producties worden gerekend, die een werkdag later, op 10 juni 2002 zijn ingediend. Deze waren op één productie na, [appellant] tevoren reeds bekend.
Ook staat vast dat in het inleidend verzoekschrift reeds in algemene zin op het lopende onderzoek van KPMG en op de voorlopige bevindingen van KPMG voorzover aan Philips bekend gemaakt, is gewezen met de mededeling dat het definitieve rapport zo spoedig mogelijk in het geding zou
worden gebracht, hetgeen uiteindelijk op 1 juli 2002, dus voor de mondelinge behandeling op 3 juli 2002, is gebeurd.
De kantonrechter heeft derhalve terecht overwogen dat een gemotiveerd en voor [appellant] verifieerbaar verzoekschrift was ingediend waarop hij afdoende kon reageren.
De door Philips geschetste inspanningen om de rapportage tijdig te verkrijgen zijn niet gemotiveerd betwist en evenmin het feit dat Philips overigens voor het gereedkomen van de rapportage afhankelijk was van KPMG, de door haar ingeschakelde derde.
Ook het gebrek aan medewerking van de zijde van [appellant] aan de tijdige totstandkoming van het rapport staat voorshands, mede op grond van de overgelegde producties, vast.
De stelling dat Philips op de terechtzitting van 23 mei 2002 zonder voorbehoud te kennen heeft gegeven dat het rapport binnen 14 dagen gereed zou zijn leidt niet tot een ander oordeel daar uit het in hoger beroep overgelegde proces-verbaal van de terechtzitting van 23 mei 2002 blijkt dat in verband met het lopende onderzoek en de mate van medewerking c.q. raadpleging van [appellant] door de raadsvrouwe van Philips een termijn is genoemd die als een prognose omtrent het gereed komen van het (definitieve) rapport moet worden beschouwd, waarna de kantonrechter zelfstandig een beslissing heeft genomen in het vonnis van 30 mei 2002.
Gelet op al deze omstandigheden in onderling verband bezien, moet er voorshands van worden uitgegaan dat er voor Philips sprake was van tijdelijke onmogelijkheid om aan de veroordeling te voldoen als bedoeld in art. 611 d Rv, indien al zou moeten worden aangenomen dat Philips niet zou hebben voldaan aan de in het dictum van het vonnis van 30 mei gestelde bepaling.
Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat het hoogstwaarschijnlijk is dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat Philips al het mogelijke heeft gedaan om aan het dictum van voormeld vonnis te voldoen.
De stelling dat Philips voor het te laat gereedkomen van het rapport door de door haar ingeschakelde hulppersoon KPMG aansprakelijk moet worden gehouden, wordt verworpen nu in casu geen sprake is van toetsing van een aansprakelijkheid doch van een beoordeling van de onmogelijkheid om aan een met een dwangsom versterkte veroordeling te voldoen. Daarmee faalt ook de tweede grief.