ECLI:NL:GHSHE:2003:AO5388

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
13 mei 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C02/00499
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Meulenbroek
  • Van Sandick
  • De Boer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over waardering goodwill en samenwerking bij fusie financiële adviseurs

In deze civiele zaak zijn Berghorst BV en een natuurlijke persoon in hoger beroep gekomen tegen een tussenvonnis en eindvonnis van de rechtbank te 's-Hertogenbosch. De zaak betreft geschillen over de waardering van goodwill en de samenwerking bij de vorming van een financiële adviesvennootschap.

Het hof heeft vastgesteld dat een aantal feiten onbetwist zijn en verwees naar de grieven die partijen hebben ingediend. Voor een goede beoordeling van de grieven heeft het hof nadere inlichtingen gevraagd over de precieze samenstelling van de gefuseerde vennootschappen, de inhoud van de samenwerkingsovereenkomst, de waardering en afschrijving van goodwill, en de bestemming van het klantenbestand na beëindiging van bedrijfsactiviteiten.

Het hof heeft Berghorst BV en de andere appellant de gelegenheid gegeven om schriftelijk op deze punten te reageren, waarna geïntimeerde hierop kan antwoorden. De zaak is aangehouden tot de rolzitting van 10 juni 2003 voor het nemen van deze akte.

De uitspraak van het hof is gewezen door de kamer bestaande uit Meulenbroek, Van Sandick en De Boer en uitgesproken in openbare terechtzitting op 13 mei 2003.

Uitkomst: De zaak is aangehouden voor nadere inlichtingen over de fusie, waardering van goodwill en klantenbestand.

Uitspraak

Uitspraak: 13 mei 2003
Rolnummer: C02/00499
Rolnummer rechtbank: 53844 / HA ZA 00-1400
HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH, zevende kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
De Berghorst B.V.,
gevestigd te Waalre,
2. [APPELLANT 2],
wonende te [woonplaats],
appellanten in het principaal beroep,
geïntimeerden in het incidenteel beroep,
procureur: mr. J.K.P.M. Dubach,
tegen
[GEÏNTIMEERDE],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde in het principaal beroep,
appellante in het incidenteel beroep,
procureur: mr. J.J.J.M.D. Maas.
1. HET GEDING IN HOGER BEROEP
Appellanten, verder te noemen Berghorst BV en [appellant 2], zijn bij exploot van 14 mei 2002 in hoger beroep gekomen van het door de rechtbank te 's-Hertogenbosch tussen geïntimeerde, verder te noemen [geïntimeerde], als eiseres en Berghorst BV en [appellant 2] als gedaagden gewezen tussenvonnis van 23 maart 2001 en het eindvonnis van
24 april 2002. Berghorst BV en [appellant 2] hebben bij memorie van grieven zes grieven opgeworpen, die door [geïntimeerde] bij memorie van antwoord tevens incidentele memorie van grieven (met producties) zijn bestreden.
[geïntimeerde] heeft tegen het tussenvonnis van 23 maart 2001 harerzijds één grief opgeworpen, die door Berghorst BV en [appellant 2] bij akte tevens incidentele memorie van antwoord (met productie) is bestreden. Vervolgens heeft [geïntimeerde] een antwoordakte in het principaal appèl (met productie) genomen. Partijen hebben arrest gevraagd.
2. BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
in het principaal en in het incidenteel beroep:
2.1 Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar het dienaangaande in de memories gestelde.
2.2 De rechtbank heeft in het tussenvonnis onder 2.2 tot en met 2.15 een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Daaromtrent bestaat geen geschil zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.
2.3 Voor een goede beoordeling van de grieven III tot en met V in het principaal beroep en van grief I in het incidenteel beroep behoeft het hof nadere inlichtingen van Berghorst BV en [appellant 2] op de volgende punten:
1. Welke vennootschappen zijn precies samengegaan bij de vorming van [naam] Financieel Adviseurs B.V.?
2. Wat hield die samenwerking precies in en waaruit blijkt dat (samenwerkingsovereenkomst)?
3. In hoeverre en op welke wijze is daarbij rekening gehouden met de waarde die NVM Hypotheekshop [naam] B.V. vertegenwoordigde?
4. Waarvoor stond de goodwill die op 1 januari 1996 in NVM Hypotheekshop [naam] B.V. is ingebracht?
5. De goodwill van NVM Hypotheekshop [naam] B.V. was op
1 januari 1996 op fl 200.000,- gewaardeerd en zou in vijf jaren worden afgeschreven. Waarom kon deze goodwill op 1 maart 1998, bijvoorbeeld bij verkoop, geen liquiditeit meer opleveren?
Waarom is deze goodwill op de balans van NVM Hypotheekshop [naam] B.V. per 31 december 1998 op nul gewaardeerd?
6. Wat is er gebeurd met het klantenbestand van NVM Hypotheekshop [naam] B.V. na de beëindiging van de bedrijfsactiviteiten op 1 maart 1998? Is dit klantenbestand ondergebracht bij [naam] Financieel Adviseurs B.V.? Zo ja, in hoeverre is daarbij dan rekening gehouden met de waarde die dat klantenbestand vertegenwoordigde?
Het hof zal Berghorst BV en [appellant 2] in de gelegenheid stellen bij akte die nadere inlichtingen te geven, zoveel mogelijk gestaafd met bescheiden, en de zaak daartoe verwijzen naar de rol. [geïntimeerde] zal hierop bij antwoordakte kunnen reageren.
2.4 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
3. BESLISSING
Het hof:
in het principaal en in het incidenteel beroep:
verwijst de zaak naar de rolzitting van 10 juni 2003 voor het nemen van een akte door Berghorst en [appellant 2] op de onder 2.3 geformuleerde punten;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. Meulenbroek, Van Sandick en De Boer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 mei 2003 in bijzijn van de griffier.