ECLI:NL:GHSHE:2004:AO2096
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Van Teeffelen
- Van Zinnen
- Van Soest-van Dijkhuizen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling tijdigheid inschrijving echtscheidingsbeschikking en rechtskracht van echtscheiding
Partijen zijn gehuwd op 1 april 1995 en hebben een minderjarig kind. Bij beschikking van 31 juli 1998 sprak de rechtbank de echtscheiding uit en kende het gezag over het kind aan de vrouw toe. De echtscheidingsbeschikking werd ingeschreven op 5 augustus 1999. De man stelde dat de inschrijving te laat was, omdat de echtscheiding volgens hem op 30 september 1998 in kracht van gewijsde was gegaan en de inschrijving binnen zes maanden had moeten plaatsvinden.
De man verzocht de rechtbank om te verklaren dat de inschrijving niet tijdig was geschied en om doorhaling van de latere inschrijving te bevelen. De rechtbank wees dit verzoek af, waarna de man in hoger beroep ging met vijf grieven. De vrouw betwistte deze grieven.
Het hof oordeelde dat de man door het instellen van hoger beroep tegen de echtscheidingsbeschikking zelf, en het betwisten van de duurzame ontwrichting, niet ondubbelzinnig afstand had gedaan van zijn recht op hoger beroep tegen de echtscheiding. Hierdoor ging de echtscheiding pas op 17 mei 1999 in kracht van gewijsde, ruim na de oorspronkelijke datum.
Daarmee was de inschrijving op 5 augustus 1999 tijdig binnen de wettelijke termijn van zes maanden na het in kracht van gewijsde gaan. Het hof bekrachtigde de bestreden beschikking en compenseerde de proceskosten, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de man af en bevestigt dat de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking tijdig heeft plaatsgevonden.