ECLI:NL:GHSHE:2004:AO3282

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
16 januari 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
20.000991.03 O.W.V.
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Huurman-van Asten
  • Brandenburg
  • Rijken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 408 SvArt. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens overschrijding termijn ontnemingsvordering

De veroordeelde was bij vonnis van de rechtbank te 's-Hertogenbosch op 7 november 2002 veroordeeld tot betaling van een geldbedrag aan de Staat. Tegen dit vonnis werd hoger beroep ingesteld, maar pas op 5 maart 2003, ruim na de wettelijke termijn van veertien dagen na de einduitspraak.

Het hof onderzocht of de veroordeelde toch ontvankelijk kon worden verklaard in het hoger beroep, mede op grond van het verweer dat de mededeling over de datum van uitspraak niet hoorbaar was gedaan tijdens de terechtzitting van 27 september 2002. Uit het onderzoek, inclusief getuigenverhoren en griffieraantekeningen, bleek dat de uitspraakdatum wel degelijk was medegedeeld en dat de vordering van de officier van justitie onderwerp van gesprek was geweest.

Het hof oordeelde dat geen bijzondere omstandigheden waren aangevoerd die een overschrijding van de termijn konden rechtvaardigen. Daarom werd de veroordeelde niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. Het arrest werd uitgesproken op 16 januari 2004 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Uitkomst: De veroordeelde wordt niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens overschrijding van de wettelijke termijn.

Uitspraak

parketnummer: 20.000991.03 O.W.V.
datum uitspraak: 16 januari 2004
tegenspraak;
GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH
meervoudige kamer voor strafzaken
A R R E S T
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 7 november 2003 in de strafzaak onder parketnummer 01/089134-01 tegen:
[verdachte],
gevestigd te [adres].
Het hoger beroep
De veroordeelde heeft tegen genoemd vonnis ex artikel 36e, lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de veroordeelde naar voren is gebracht.
De ontvankelijkheid van het hoger beroep
De behandeling van de zaak heeft ter terechtzitting plaatsgevonden op tegenspraak.
Volgens artikel 408 van Pro het Wetboek van Strafvordering moet in een geval als het onderhavige het hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen na de einduitspraak van 7 november 2002 van de eerste rechter.
Nu het hoger beroep pas na het verstrijken van die termijn, immers eerst op 5 maart 2003 is ingesteld, kan de veroordeelde niet in het hoger beroep worden ontvangen.
Ter terechtzitting in hoger beroep is door en namens de veroordeelde gemotiveerd bestreden dat hij niet zou kunnen worden ontvangen in het hoger beroep omdat -kort gezegd- niet blijkt dat ten aanzien van de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel enige discussie ter terechtzitting van 27 september 2002 is geweest en aan de veroordeelde niet -hoorbaar- is medegedeeld dat de uitspraak in de ontnemingszaak zou plaatsvinden op 7 november 2003 te 09.45 uur.
Het hof heeft in verband met voormeld verweer de beslissing op de ontvankelijkheid van het appel aangehouden en nader onderzoek bevolen als omschreven in het proces-verbaal van de terechtzitting van dit hof van 28 augustus 2003 en voorts de oproeping van twee getuigen bevolen.
Uit het nader onderzoek, met name uit het terzake opgemaakte -verkort- proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg, de aanvulling daarop en de daarbij gevoegde persoonlijke aantekeningen van de griffier, alsmede uit een door de griffier aan de advocaat-generaal alhier gezonden toelichting, is komen vast te staan dat de voorzitter van de rechtbank op 27 september 2002 heeft medegedeeld dat de uitspraak van de rechtbank zal plaatsvinden op 7 november 2002 te 09.45 uur.
De verdachte was op die terechtzitting van 27 september 2002 verschenen in de persoon van haar vertegenwoordiger [naam].
Voorts blijkt uit de aantekeningen van de griffier dat de betreffende vordering van de officier van justitie -anders dan is betoogd- ook onderwerp van gesprek is geweest tijdens de terechtzitting van 27 september 2002 voornoemd.
Het verhoor van de ter terechtzitting van het hof dd. 16 januari 2004 verschenen getuigen in dit kader, heeft geen ander licht op de feiten en omstandigheden geworpen, nu zij omtrent de bestreden mededeling van de voorzitter, zowel in de ontnemingszaak als ook in de hoofdzaken, geen herinnering hebben.
Op grond van het vorenoverwogene is het hof van oordeel, dat de veroordeelde binnen veertien dagen na 7 november 2002 in hoger beroep had moeten gaan van de beslissing van de rechtbank en dat zij, nu zij zich daarvan eerst op 5 maart 203 heeft voorzien, daarin niet kan worden ontvangen. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aangevoerd of anderszins aannemelijk geworden op grond waarvan het hof tot een ander oordeel zou moeten komen.
B E S L I S S I N G :
Het hof:
Verklaart de veroordeelde niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
verdachte niet-ontvankelijk in hoger beroep
Dit arrest is gewezen door Mr. Huurman-van Asten, als voorzitter
Mrs. Brandenburg en Rijken, als raadsheren
in tegenwoordigheid van Dhr. De Bruijn, als griffier.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 januari 2004.
U I T D R A A I G E G E V E N S 1e A A N L E G
zaaknr.: 03
tijd : 09.30
verdachte:
[verdachte],
gevestigd te [adres],
Is bij vonnis van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 7 november 2003 ter zake van:
veroordeeld tot:
Legt aan [verdachte]. de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van EUR 129.326,00;