ECLI:NL:GHSHE:2004:AQ7919
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Bod
- Kranenburg
- Smeenk-Van der Weijden
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake aannemingsovereenkomst en toewijzing wettelijke rente
In deze civiele procedure staat de aard van de aannemingsovereenkomst tussen appellant en BVR Midden-Brabant B.V. centraal, alsmede de toewijzing van wettelijke rente. Het hof heeft voorshands bewezen geacht dat een aannemingsovereenkomst op regiebasis is gesloten, waarbij appellant tegenbewijs mocht leveren dat sprake zou zijn van een vaste aanneemsom.
Appellant en zijn echtgenote verklaarden dat een vaste prijs was overeengekomen, maar deze verklaringen stonden haaks op die van een medewerker van BVR, die stelde dat geen vaste prijs was afgesproken. Het hof hechtte meer waarde aan de verklaring van de medewerker en concludeerde dat appellant niet in zijn tegenbewijs was geslaagd.
Verder oordeelde het hof dat de wettelijke rente pas toewijsbaar is vanaf 29 maart 1996, de datum waarop appellant in verzuim kwam na kennisgeving van cessie door BVR. Het beroep van appellant op opschorting faalde, omdat hij zich niet op redelijke gronden op opschorting kon beroepen.
Het tussenvonnis en het eindvonnis van de rechtbank werden grotendeels bekrachtigd, met uitzondering van de ingangsdatum van de wettelijke rente die werd aangepast. Appellant werd veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente over een bedrag van €9.393,64 vanaf 29 maart 1996 en in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Appellant is veroordeeld tot betaling van wettelijke rente vanaf 29 maart 1996 en in de kosten van het hoger beroep.