4.4.2. Tegen dit oordeel komt Bavaria op met grief I, doch naar het oordeel van het hof tevergeefs.
Het is juist, zoals Bavaria met klem betoogt, dat art. 477a lid 2 Rv een vervaltermijn bevat, waar dit artikel regelt dat de Ontvanger de verklaring van de derde-beslagene binnen twee maanden na het afleggen daarvan in rechte kan betwisten. Die vervaltermijn strekt zich echter alleen uit tot de bevoegdheid om de bewuste afgelegde verklaring omtrent hetgeen de derde-beslagene op dat moment van de debiteur onder zich heeft, te betwisten. Indien de Ontvanger - zoals in dit geval - opnieuw beslag legt en de derde-beslagene een nieuwe verklaring aflegt omtrent hetgeen hij op dat nieuwe moment van de debiteur onder zich heeft, ontstaat een nieuwe bevoegdheid tot betwisting die ook weer aan een vervaltermijn van twee maanden gebonden is. Daarmee ontloopt de Ontvanger niet de consequenties van de vervaltermijn, aangezien die termijn ten volle haar werking heeft gehad door de bevoegdheid tot betwisting van de eerste verklaring definitief te laten vervallen. Er is mitsdien ook geen sprake van het ontkrachten van de sanctie op termijnoverschrijding. De Leidraad Invordering waarop Bavaria zich ook beroept (memorie van grieven blz. 11), bevat op dit punt niets meer dan in art. 477a Rv reeds is bepaald, zodat dat niets toevoegt.
Bavaria heeft zich daarnaast nog beroepen op het beginsel van rechtszekerheid en op het vertrouwensbeginsel. Het is juist dat ook bij de tenuitvoerlegging van een dwangbevel de Ontvanger de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht dient te nemen. In dit geval zijn echter onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld om op grond daarvan tot een schending van die beginselen te kunnen oordelen. Nadat twee maanden na het afleggen van de eerste verklaring d.d. 21 februari 2000 waren verstreken is de discussie tussen partijen over de juistheid van die verklaring voortgezet. Dat blijkt reeds uit de tussen partijen gewisselde brieven van 21 juni 2000 van de Ontvanger (prod. 17 bij memorie van antwoord/incidenteel appel) en van 11 juli 2000 van de raadsman van [betrokkene] (B.V., prod. 11 bij conclusie van antwoord).
De eerstgenoemde brief is weliswaar pas bij memorie van antwoord overgelegd zodat Bavaria daarop niet heeft hoeven reageren, maar nu Bavaria zelf al in eerste aanleg haar antwoord d.d. 11 juli 2000 op de brief van 21 juni 2000 heeft overgelegd, waaraan in de brief van 11 juli 2000 wordt gerefereerd, ziet het hof geen bezwaar om in elk geval van het bestaan van de brief van 21 juni 2000 uit te gaan.
In de brief van 11 juli 2000 gaat Bavaria er blijkens de bereidverklaring van haar raadsman over deze kwestie met de Ontvanger van gedachten te wisselen, van uit dat de discussie over de juistheid van haar verklaring dat zij sinds 27 januari 1999 niets meer aan [Z] BV verschuldigd is, nog zal worden voortgezet. De tweede beslaglegging, die werd gevolgd door een nieuwe verklaring van Bavaria die gelijkluidend was aan de eerste verklaring, en die door de Ontvanger vervolgens in rechte is betwist, kan Bavaria mitsdien niet hebben verrast. Van een schending van vertrouwen of van haar aanspraak op rechtszekerheid kan op deze grond mitsdien geen sprake zijn.
Evenmin kan geoordeeld worden dat de Ontvanger zijn recht om ten tweeden male beslag te leggen heeft verwerkt, nu de Ontvanger steeds heeft laten weten de door Bavaria afgelegde verklaring niet te willen accepteren.
Bavaria wordt tenslotte door deze gang van zaken niet onredelijk benadeeld, aangezien het feit dat haar het "voordeel" ontgaat dat niet door de rechter wordt beoordeeld of zij met juistheid heeft verklaard niets aan [Z] BV meer schuldig te zijn, geen onredelijke benadeling oplevert. Bavaria behoeft bovendien niets ten laste van haar eigen vermogen te betalen, aangezien de onderhavige procedure er immers enkel toe strekt vast te stellen of Bavaria nog iets aan [Z] BV schuldig is en haar, bij bevestigende beantwoording, (niet meer dan) dat aan de Ontvanger te doen betalen.
De conclusie is derhalve dat de rechtbank de Ontvanger terecht ontvankelijk heeft verklaard in zijn vordering.