ECLI:NL:GHSHE:2004:AR5999

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
15 juli 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R04/00392
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Smeenk-van der Weijden
  • Van Teeffelen
  • Draijer-Udo
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 15b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging afwijzing verzoek opheffing faillissement en toepassing schuldsanering wegens gedragingen appellant

Appellant verzocht bij de rechtbank tot opheffing van zijn faillissement met gelijktijdige toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank wees dit verzoek af vanwege gedragingen van appellant die aanleiding gaven tot vrees dat hij zijn schuldeisers zou benadelen of verplichtingen niet zou nakomen.

In hoger beroep stelde appellant dat hij zich slechts had laten inschrijven in het handelsregister om vrienden te helpen en dat hij zich in de toekomst niet meer met dergelijke activiteiten zou bezighouden. Tevens betwistte hij het bestaan van diverse nieuwe schulden. De curator stelde dat appellant zich had ingeschreven onder een horecabedrijf en een hennepplantage hield nadat het faillissement was uitgesproken, wat zorgwekkend was.

Het hof oordeelde dat los van de vraag of de nieuwe schulden daadwerkelijk bestaan, het op naam zetten van een horecabedrijf en het houden van een hennepplantage na faillissement voldoende reden zijn voor de gerechtvaardigde vrees dat appellant zijn schuldeisers zal benadelen of zijn verplichtingen niet nakomt. De toezegging van appellant om dergelijke gedragingen te staken was onvoldoende.

Daarom bekrachtigde het hof het vonnis van de rechtbank dat het verzoek tot opheffing van het faillissement en toepassing van de schuldsanering afwees.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek tot opheffing van het faillissement en toepassing van de schuldsaneringsregeling af.

Uitspraak

EB
15 juli 2004
Rekestenkamer
Rekestnummer R04/00392
GERECHTSHOF TE ’s-HERTOGENBOSCH
Arrest
In de zaak in hoger beroep van:
[appellant],
wonende te [plaats], gemeente [gemeente],
appellant,
hierna te noemen: [appellant],
procureur mr. Ph.C.M. van der Ven.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank te Maastricht van 12 mei 2004, waarvan de inhoud bij [appellant] bekend is.
2. Het geding in hoger beroep
2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 19 mei 2004, heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis waarbij het verzoek tot omzetting faillissement in schuldsanering werd afgewezen, te vernietigen en opnieuw recht doende het verzoek ex. artikel 284 jo Pro artikel 15b Fw om het ten aanzien van hem op 30 mei 2002 uitgesproken faillissement op te heffen onder gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsanering alsnog toe te wijzen, althans een zodanige beslissing te geven als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.
2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 juli 2004. Bij die gelegenheid zijn [appellant] en zijn advocaat, alsmede mr. drs. N.J.M. Janssen, curator, gehoord.
2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;
- het proces-verbaal van de behandeling in eerste aanleg door de rechtbank Maastricht d.d. 12 mei 2004;
- Een brief met bijlagen van de curator van 15 juni 2004.
3. De gronden van het hoger beroep
Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.
4. De beoordeling
4.1. Het faillissement van [appellant] is op zijn verzoek op 30 mei 2002 uitgesproken. [appellant] heeft een verzoekschrift ex. art. 284 jo Pro. art. 15b Fw bij de rechtbank te Maastricht ingediend, waarin hij verzoekt tot opheffing van het faillissement met gelijktijdige toepassing van de schuldsaneringsregeling.
4.2. Blijkens het verslag van de curator van 18 maart 2004 is de curator niet gebleken dat [appellant] bij de totstandkoming van de schulden niet te goeder trouw is geweest. Ten aanzien van de gedragingen van [appellant] heeft de curator het navolgende moeten constateren:
- [appellant] heeft zich ter wille van vrienden opnieuw in het handelsregister laten inschrijven onder de naam [naam];
- [appellant] is door de politierechter op 18 februari 2003 veroordeeld tot het verrichten van een taakstraf van 20 uur voor het rijden onder invloed;
- in oktober 2003 werd het rijbewijs van [appellant] ongeldig verklaard wegens alcoholmisbruik;
- op 16 december 2003 heeft de politie een hennepplantage in het pand van [appellant] aangetroffen;
- [appellant] heeft nieuwe schulden laten ontstaan bij Essent, WLM, T-mobile, Atrium en SBH.
4.3. Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het verzoek van [appellant] afgewezen. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat gelet op de gedragingen van [appellant] in het recente verleden de vrees bestaat dat [appellant] tijdens de toepassing van schuldsaneringsregeling zal trachten zijn schuldeisers te benadelen danwel de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen.
4.4. In zijn beroepschrift stelt [appellant] dat hij zich slechts heeft laten inschrijven in het Handelsregister om vrienden van dienst te zijn. [appellant] heeft enkel en alleen zijn vergunning ter beschikking gesteld, hij had hier, naar zijn zeggen, geen enkel voordeel van. [appellant] heeft begrepen dat een dergelijke activiteit in het kader van faillissement c.q. schuldsaneringsregeling niet is toegestaan en dat steeds met de curator c.q. de bewindvoerder van tevoren overleg moet worden gepleegd. Niet te verwachten is dat [appellant] zich in de toekomst met dergelijke activiteiten nog zal inlaten.
Voorts stelt [appellant] dat hij, mede door de schuldenlast, onder grote druk van anderen zich heeft laten verleiden om bij een hennepplantage betrokken te geraken. [appellant] begrijpt dat dit evenmin is toegestaan en ziet in dat slechts op andere wijze zijn inkomenspositie kan worden verbeterd. Ten aanzien van het ontstaan van nieuwe schulden merkt [appellant] het navolgende op. Bij SBH bestaat geen schuld waar [appellant] aansprakelijk voor is; deze schuld heeft nog betrekking op het [naam] en de nota heeft hij aan de oprichters van dat bedrijf doorgestuurd. Bij Atrium bestond slechts een zeer kleine schuld die abusievelijk aan de aandacht van [appellant] is ontsnapt en inmiddels door hem is geregeld. Bij T-Mobile en WML bestaan naar de mening van [appellant] geen schulden. De schuld bij Essent is door vrienden betaald die geen beroep doen op terugbetaling. Ten aanzien van de mogelijke aanvullende vordering van de Belastingdienst inzake het opnieuw op te starten café heeft [appellant] contact gehad met de boekhouder en met de uitbaters en deze laatsten hebben volledige aansprakelijkheid in dit opzicht erkend.
4.5. In het boedelverslag van 15 juni 2004 geeft de curator aan dat, blijkens de aanmaningen die hem via de postblokkade hebben bereikt, de volgende nieuwe schulden nog open staan: Essent (€ 438,43), SBH (€ 136,40), VROM (€ 465,64), Transfair / T-mobile (€ 419,64), Atrium (€ 28,86), Rauh en Kikken (€ 89,-).
Voorts geeft de curator aan dat [appellant] tot op heden geen afdrachten heeft gedaan aan de boedel en dat [appellant] een bijstandsuitkering van € 772,34 per maand geniet.
4.6. Het hof overweegt als volgt.
Ter zitting is vast komen te staan dat [appellant] de schulden aan VROM en Rauh en Kikken inmiddels betaald heeft. De overige schulden worden door [appellant] betwist danwel aangemerkt als reeds betaald. [appellant] geeft aan dat, volgens zijn boekhouder, er voor hem geen nadelige financiële gevolgen aan zijn inschrijving in het handelsregister kleven en hij dus ook niet door de Belastingdienst kan worden aangeslagen. Afgezien van de nieuwe schulden worden de andere gedragingen genoemd in het boedelverslag van de curator van 18 maart 2004 door [appellant] erkend.
Het hof is van oordeel dat -nog los van de vraag of een en ander tot daadwerkelijke schulden zal leiden- met name het op naam zetten van een horecabedrijf en het houden ven een hennepplantage nadat het faillissement was uitgesproken gedragingen zijn die, nog afgezien van de –door [appellant] betwiste- nieuwe schulden en de overige in sub 4.2. genoemde gedragingen, voldoende aanleiding zijn voor de gerechtvaardigde vrees dat [appellant] zal trachten zijn schuldeisers te benadelen danwel de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen. De enkele toezegging van [appellant] dat hij in de toekomst dergelijke gedragingen achterwege zal laten is voor het hof onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Het hof zal derhalve het vonnis van de rechtbank bekrachtigen.
5. De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te Maastricht van 12 mei 2004.
Dit arrest is gewezen door mrs. Smeenk-van der Weijden, Van Teeffelen en Draijer-Udo en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 15 juli 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.