ECLI:NL:GHSHE:2004:AR6004

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
24 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R200400354
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Soest-van Dijkhuizen
  • Van Griensven
  • Van der Linden
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging vonnis inzake sollicitatieplicht tijdens schuldsaneringsregeling ondanks zorg voor ernstig ziek kind

Appellante is in hoger beroep gegaan tegen het vonnis van de rechtbank Roermond waarin haar een sollicitatieplicht werd opgelegd gedurende de schuldsaneringsregeling. Zij stelde dat zij vanwege de zorg voor haar drie maanden oude zoontje, die ernstig ziek is en borstvoeding krijgt, niet in staat was om betaalde arbeid te verrichten.

Het hof heeft de stukken en de mondelinge behandeling bestudeerd, waaronder medische verklaringen waaruit blijkt dat het kind intensieve zorg nodig heeft. Desondanks oordeelt het hof dat het geven van borstvoeding en de zorg voor het kind de sollicitatieplicht niet uitsluit, mede omdat werkgevers werkneemsters in staat moeten stellen borstvoeding te geven en er alternatieven zijn voor voeding bij afwezigheid van de moeder.

Verder is gebleken dat de vader als tolk optreedt en op de hoogte is van de medische instructies, en dat de bewindvoerder bereid is om vrijstelling van de arbeidsverplichting te verlenen aan één van de ouders zodra de ander een betaalde baan kan aanvaarden. Daarom staat de zorg voor het kind de inspanningsverplichting van appellante niet in de weg.

Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en bevestigt de sollicitatieplicht van appellante gedurende de resterende periode van de schuldsaneringsregeling.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat appellante gehouden is tot sollicitatie ondanks de zorg voor haar ernstig zieke kind.

Uitspraak

EB
24 juni 2004
Rekestenkamer
Rekestnummer R200400354
GERECHTSHOF TE ’S-HERTOGENBOSCH
Arrest
In de zaak in hoger beroep van:
[appellante],
wonende te [plaats],
appellante,
procureur mr. R.J.H. van Dungen.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank te Roermond van 4 mei 2004, waarvan de inhoud bij appellante bekend is.
2. Het geding in hoger beroep
2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 10 mei 2004 heeft appellante verzocht het vonnis waarvan beroep te vernietigen voor wat betreft de aan appellante opgelegde sollicitatieplicht en te bepalen dat op appellante geen sollicitatieplicht rust voor de duur van de resterende periode van de schuldsaneringsregeling van twee jaar, derhalve tot 25 april 2006 en het vonnis voor het overige in stand te laten.
2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 juni 2004. Bij die gelegenheid zijn appellante, haar echtgenoot de heer H. Berkani en haar advocaat mr. E.G.M. Kupers gehoord.
2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;
- proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerst aanleg op 29 april 2004;
- een brief met bijlagen van de procureur van appellante van 18 mei 2004.
3. De gronden van het hoger beroep
Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.
4. De beoordeling
4.1. Ten aanzien van appellante en haar echtgenoot heeft de rechtbank te Roermond bij vonnis van 25 april 2001 de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.
4.2. Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de termijn van de schuldsaneringsregeling van beide echtgenoten vastgesteld op vijf jaar of zoveel eerder als de boedelachterstand is afbetaald en de inspanningsverplichting (sollicitaties) naar het oordeel van de bewindvoerder voldoende is nagekomen, derhalve maximaal tot 25 april 2006. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat appellante de informatieverplichting stipt dient na te komen en dat appellante met ingang van 1 april 2004 een verplichte boedelbijdrage zal voldoen ter hoogte van het bewindvoerdersalaris. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat gebleken is dat er een achterstand aan de boedel is van € 542,06. Appellante is daarnaast haar inspanningsverplichting niet nagekomen. Appellante heeft niet aantoonbaar voldoende gesolliciteerd terwijl zij in staat is betaalde arbeid te aanvaarden. De informatieplicht jegens de bewindvoerder is, ondanks een verhoor bij de rechter-commissaris, moeizaam verlopen.
4.3. In haar beroepschrift stelt appellante dat zij niet in staat is om betaalde arbeid te aanvaarden en te verrichten, nu zij de zorg heeft over drie kinderen waaronder haar drie maanden oude zoontje [naam] die ernstig ziek is en door haar verzorgd moet worden. [naam] is bekend met het Down syndroom en heeft ernstige hartafwijkingen waardoor appellante regelmatig met hem doktersbezoeken moet afleggen en hem met de nodige regelmaat medicijnen moet toedienen. Voorts geeft appellante [naam] borstvoeding op aanraden van de kinderartsen. In de overgelegde verklaringen van dr. K. de Meer en dr. P.D.M.M. Verschure wordt aangegeven dat gezien de noodzakelijke dagelijkse zorg die nodig is voor [naam], het thuisblijven van appellante dient te worden gewaarborgd. Verder is appellante van mening dat gezien de situatie met haar zoontje [naam] haar geen inspanningsverplichting met betrekking tot solliciteren kan worden opgelegd.
4.4. Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen overweegt het hof als volgt.
Gebleken is dat appellante gedurende de eerste drie jaar van de schuldsaneringsregeling en dus ook reeds voor de geboorte van [naam] niet heeft gesolliciteerd of gewerkt. Voorts is gebleken dat [naam] gezien zijn ziekte baat heeft bij borstvoeding. Naar het oordeel van het hof hoeft het geven van borstvoeding de vrouw niet in de weg te staan bij het zoeken en aanvaarden van een baan, mede gelet op het feit dat werkgevers hun werkneemsters in de gelegenheid dienen te stellen hun kind borstvoeding te geven en er voorts mogelijkheden zijn een kind van moedermelk te voorzien ook als de moeder zelf afwezig is. Namens appellante is ter zitting naar voren gebracht dat de zorg voor [naam] bij appellante hoort te rusten nu zij hieromtrent door de artsen geïnstrueerd is. Ter zitting is echter gebleken dat de appellante niet of nauwelijks Nederlands spreekt en dat haar echtgenoot als tolk optreed. Het hof leidt hieruit af dat de vader volledig van de instructies van de artsen op de hoogte is en de verzorging van [naam] op zich zou kunnen nemen. Voorts is gebleken dat de bewindvoerder gelet op de gezondheidstoestand van [naam] zich bereid heeft verklaard om aan één van de ouders vrijstelling van de arbeidsverplichting te verlenen zodra de ander een betaalde baan kan aanvaarden. Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat de zorg voor [naam] niet in de weg staat aan een inspanningsverplichting van appellante. Derhalve zal het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigen.
5. De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te Roermond van 4 mei 2004.
Dit arrest is gewezen door mrs. Van Soest-van Dijkhuizen, Van Griensven en Van der Linden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 24 juni 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.