ECLI:NL:GHSHE:2004:AS3759
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Begheyn
- Venner-Lijten
- Van Erp
- Rechtspraak.nl
Interpretatie en gevolgen van activa-overeenkomst bij doorstart failliete onderneming DAF Bus
In deze civiele zaak gaat het om de uitleg van een overeenkomst tot overdracht van activa tussen de curator van het failliete DAF Bus en DAF Bus International B.V. (DBI). De kern van het geschil betreft de vraag of DBI aansprakelijk is voor vorderingen van zogenaamde dwangcrediteuren en leveranciers met eigendomsvoorbehoud, en of DBI deze vorderingen in het faillissement van DAF Bus kan indienen.
Het hof stelt vast dat de overeenkomst en de onderliggende memo van de curator duidelijk maken dat DBI de lopende contracten met noodzakelijke derden overneemt en dat DBI DAF Bus moet vrijwaren tegen aanspraken van deze derden. Dit betekent dat DBI de kosten van deze overname niet op het faillissement kan verhalen. De rechtbank had dit ook zo geoordeeld, maar DBI betwist deze interpretatie.
Het hof benadrukt dat de overeenkomst volgens de Haviltexnorm moet worden uitgelegd, waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheden, waaronder de faillissementssituatie en de noodzaak tot doorstart. DBI heeft erkend dat zij vorderingen van dwangcrediteuren en leveranciers heeft ingediend, maar stelt dat zij deze alleen heeft gekocht en niet voldaan. Het hof acht dit onaannemelijk en wijst erop dat DBI de relatie met deze crediteuren voortzette door betaling of overname van vorderingen.
Het hof staat DBI toe tegenbewijs te leveren dat de overeenkomst niet de vergaande strekking heeft zoals door de curator en het hof aangenomen, en dat de betalingen geen verband hielden met het overnemen van de relatie met de crediteuren. Tot die tijd blijft de interpretatie van het hof leidend. De zaak wordt aangehouden voor bewijslevering en verdere behandeling.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat DBI de kosten van overname van dwangcrediteuren en eigendomsvoorbehouden moet dragen en staat DBI toe tegenbewijs te leveren.