ECLI:NL:GHSHE:2004:AS4621
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Kranenburg
- Meulenbroek
- Feddes
- Rechtspraak.nl
Geschil over bewaarneming en verkoop van auto tussen broer en zus
Appellante vorderde vergoeding van de waarde van een auto die zij in 1999 had gekocht en waarvan het kenteken tijdelijk op naam van geïntimeerde, haar broer, was gesteld om te voorkomen dat haar echtgenoot de auto zou vervreemden. Zij stelde dat er een bewaarnemingsovereenkomst was gesloten en dat geïntimeerde de auto zonder toestemming had verkocht, waardoor hij schadeplichtig zou zijn.
Geïntimeerde voerde aan dat hij de auto voor ƒ 3.000 van zijn zus had gekocht en de koopsom had voldaan. De kantonrechter oordeelde dat appellante haar stellingen moest bewijzen en dat zij daarin niet was geslaagd, waarna haar vordering werd afgewezen.
In hoger beroep stelde appellante dat geïntimeerde de schade moest vergoeden op grond van onrechtmatige daad (art. 6:162 BW Pro). Het hof oordeelde dat de bewijslast bij appellante lag en dat zij onvoldoende bewijs had geleverd voor de bewaarnemingsovereenkomst. De grieven van appellante werden verworpen en de vonnissen bekrachtigd, met veroordeling van appellante in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: De vordering tot vergoeding van de waarde van de auto wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van bewaarnemingsovereenkomst.